Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2016
Datum publicatie
26-08-2016
Zaaknummer
15/8167 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In strijd met uitdrukkelijk door leidinggevende gegeven instructie zich niet aan taakstelling gehouden. Tevens zonder enige noodzaak binnen zwaar beveiligd en afgeschermd gebied begeven. De korpschef heeft niet ten onrechte geconcludeerd dat betrokkene niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die zijn vereist voor het op goede wijze vervullen van zijn functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/185

Uitspraak

15/8167 AW

Datum uitspraak: 25 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

18 november 2015, 15/1357 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. drs. J. Sajtos een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Versloot, A. Stam en R.H.C. Hiltemann. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Sajtos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is ongeveer vijfentwintig jaar werkzaam bij de politie, laatstelijk als [fumctie] bij het Team [naam team] van de Dienst [naam dienst].

1.2.

Bij besluit van 11 februari 2014 is aan betrokkene wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van inhouding van salaris met een halve maand opgelegd. Betrokkene werd verweten dat hij op 6 mei 2013 gedurende zijn werkzaamheden bij een verkeerscontrole als motorrijder zonder enige noodzaak een collega heeft meegenomen voor een rit achterop zijn dienstmotor en tijdens die rit de maximumsnelheid met 77 km per uur heeft overschreden.

1.3.

Op 24 en 25 maart 2014 vond in Nederland de Nuclear Security Summit (NSS) plaats. Omdat veel wereldleiders de NSS zouden bijwonen, waren vanaf 23 maart 2014 rond de luchthaven Schiphol strenge veiligheidsmaatregelen getroffen. Grote delen van het gebied waren afgesloten voor verkeer. Het gebied was tijdens de NSS onderverdeeld in ring 1 tot en met 4. De buitenste ring was ring 4, de binnenste was ring 1. Hoe lager het nummer, hoe zwaarder de beveiliging en de daarbij passende maatregelen waren. Ring 1 betrof “staatshoofd”, ring 2 zwaar beveiligd gebied, ring 3 beveiligd gebied (het gebied rondom de Polderbaan) en ring 4 de verkeersring om ring 3 heen. Voor toegang tot ring 3 was voorafgaande aanmelding nodig. Ring 2 mocht alleen door vooraf gescreende personen worden betreden.

1.4.

Naar aanleiding van de melding dat betrokkene op 23 maart 2014 in burgerkleding op een onopvallende dienstmotor en in strijd met de instructies in het kader van de NSS op eigen initiatief en zonder opdracht een afgeschermde sector heeft betreden, wat tot gevolg heeft gehad dat twee delegaties door middel van noodprocedures alternatieve routes hebben moeten volgen, is een disciplinair onderzoek gestart.

1.5.

Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek heeft appellant het voornemen kenbaar gemaakt betrokkene de straf van ontslag op te leggen. Betrokkene heeft zijn zienswijze hierop naar voren gebracht. Appellant heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht. Bij besluit van 9 oktober 2014 is aan betrokkene met onmiddellijke ingang disciplinair ontslag verleend met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Subsidiair is met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

1.6.

Bij besluit van 9 februari 2015 (bestreden besluit) heeft appellant, met overneming van het advies van de bezwaaradviescommissie HRM, het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op het disciplinaire ontslag en het besluit van

9 oktober 2014 in zoverre herroepen. Voor het overige heeft de korpschef het bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat betrokkene met zijn gedragingen op 23 maart 2014 er blijk van heeft gegeven niet over de voor zijn functie vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling te beschikken. Betrokkene had zich er gelet op zijn ervaring en functie van bewust moeten zijn dat zijn gedrag, het op een onopvallende dienstmotor, in een zwart pak en zonder taak in het kader van de NSS het afgeschermde gebied binnengaan, zeer onwenselijk was en een veiligheidsrisico met zich bracht, welk risico zich in dit geval heeft verwezenlijkt. Als gevolg van zijn handelen diende een noodprocedure gevolgd te worden. Hiermee heeft betrokkene er blijk van gegeven dat hij de consequenties van zijn handelen voor de organisatie onvoldoende beseft. Een dergelijk besef is onontbeerlijk voor de functie van politieambtenaar. Daarbij wordt van belang geacht dat betrokkene zich kennelijk niet heeft gehouden aan de hem door zijn leidinggevende voor die dag opgedragen werkzaamheden, namelijk het uitvoeren van reguliere verkeershandhaving.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit voor zover daarbij het ongeschiktheidsontslag is gehandhaafd vernietigd en het besluit van 9 oktober 2014 herroepen voor zover daarbij aan betrokkene ontslag is verleend wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het betreden besluit. Daarbij heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, overwogen dat niet vast staat dat betrokkene zich er bewust van had moeten zijn dat zijn gedrag zeer onwenselijk was en een veiligheidsrisico met zich bracht. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat kennelijk bij de politieambtenaren die de controleposten bemanden en die betrokkene in strijd met de voorschriften hebben laten passeren dit bewustzijn ook ontbrak. Voorts heeft appellant niet afdoende aangetoond dat er geen sprake is geweest van een door betrokkene ontvangen melding over een spotter. Er is dus onvoldoende grond om aan te nemen dat betrokkene zich kennelijk niet heeft gehouden aan de hem door zijn leidinggevende opgedragen werkzaamheden. De concrete gedragingen van betrokkene vormen in de gegeven omstandigheden onvoldoende grondslag voor het gegeven ongeschiktheidontslag.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB: 2015:33) moet het bestuursorgaan ongeschiktheid voor het vervullen van een functie - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - aantonen aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Een ontslag op deze grond is in het algemeen niet toelaatbaar, als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren (uitspraak van 3 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1098). Dit is volgens eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van 10 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4285) anders in als uitzonderlijk aan te merken situaties waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn.

3.2.

Niet in geschil is dat betrokkene op 23 maart 2014, in burgerkleding en op een onopvallende dienstmotor, een gebied (ring 3 en ring 2) heeft betreden dat was afgesloten in verband met de NSS. Eveneens staat vast dat betrokkene op dat moment was ingepland voor zijn eigen werkzaamheden en geen taak had in het kader van de NSS.

3.3.

Als verklaring voor het betreden van dit afgesloten gebied heeft betrokkene gesteld dat hij gevolg gaf aan een melding met betrekking tot een spotter met camera bij Schiphol-Oost en dat de snelste manier om daar te komen door het afgesloten gebied was. Daarbij heeft hij gesteld dat hij niet wist dat hij het afgesloten gebied niet mocht betreden, hij daarover geen instructies had ontvangen, en hij bij de diverse controleposten op vertoon van zijn politielegitimatie is doorgelaten.

3.4.

De Raad stelt vast dat uit een mailwisseling tussen betrokkene en zijn leidinggevende blijkt dat betrokkene een verzoek heeft gedaan om op zondag 23 maart 2014 dienst te mogen doen op de onopvallende motor en hij zich beschikbaar wil stellen om “te spotten rond Schiphol”. Daarop heeft de leidinggevende op 22 maart 2014 gereageerd dat, nu hij geen werkzaamheden in het kader van de NSS hoeft te verrichten, hij zijn uren op het team diende te maken. Uit wat ter zitting namens de korpschef is verklaard is voor de Raad vast komen te staan dat dit inhield dat betrokkene zich bezig diende te houden met verkeershandhaving en dat het controleren van (vliegtuig)spotters niet tot zijn taak behoorde. Op 31 maart 2014 heeft betrokkene tijdens het verantwoordingsgesprek (disciplinair interview) verklaard dat hij op

23 maart 2014 rond Schiphol is gaan rijden omdat hij meende dat hij zich nuttig kon maken met het in de gaten houden van de bekende spottersplekken. Dit betekent dat hij, in strijd met de uitdrukkelijk door zijn leidinggevende gegeven instructie, zich niet aan zijn taakstelling heeft gehouden.

3.5.

Ter verklaring van het feit dat hij zich bovendien heeft begeven in het ten behoeve van de NSS afgesloten gebied, heeft betrokkene gesteld dat hij in het kader van de noodhulp gevolg gaf aan een melding met betrekking tot een spotter met camera bij Schiphol-Oost en dat de snelste manier om daar te komen door het afgesloten NSS-gebied was. Op basis van de schriftelijke rapportage over de geluidsfragmenten van de meldkamer en op basis van hetgeen daarover ter zitting van de Raad door partijen is verklaard stelt de Raad vast dat geen spoor van bewijs bestaat dat daadwerkelijk sprake is geweest van een melding over een spotter, waarop appellant zou hebben gereageerd. Bovendien, al zou er werkelijk sprake zijn geweest van een spotter, dan had betrokkene daar ook in het kader van de noodhulp niets te zoeken. Dit betekent dat betrokkene zich zonder enige noodzaak binnen het NSS-gebied heeft begeven.

3.6.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, staat voor de Raad vast dat het, ook zonder specifieke instructies of briefing inzake de toegankelijkheid van het afgesloten gebied, gezien de aanwezige politieposten en wegversperringen voor betrokkene duidelijk had moeten zijn dat hij zonder taak in het kader van de NSS buiten het NSS-gebied diende te blijven. Het enkele feit dat betrokkene bij diverse controleposten is doorgelaten, zonder over de vereiste accreditatiepas te beschikken, doet niet af aan zijn eigen verantwoordelijkheid ter zake. Hij had zich gelet op zijn functie en jarenlange ervaring ervan bewust moeten zijn dat het, zonder opdracht en zonder dat hij herkenbaar was als politieambtenaar, betreden van het zwaar beveiligde en afgesloten NSS-gebied zeer onwenselijk was en onaanvaardbare veiligheidsrisico’s voor zichzelf en anderen met zich bracht.

3.7.

Appellant heeft voorts niet ten onrechte geconcludeerd dat, gelet op de gedragingen van betrokkene en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, betrokkene niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die zijn vereist voor het op goede wijze vervullen van zijn functie. Daarbij heeft appellant terecht bijzonder gewicht toegekend aan de omstandigheid dat betrokkene kort daarvoor nog, op 11 februari 2014, disciplinair was bestraft in verband met een ernstige normschending, waarbij hij zonder enige noodzaak een onaanvaardbaar veiligheidsrisico nam. Bovendien was betrokkene bij die gelegenheid door zijn leidinggevende nog indringend aangesproken over de noodzaak zich professioneel te gedragen. Betrokkene heeft - ook ter zitting van de Raad - geen inzicht getoond in de ernst van zijn gedragingen en in de noodzaak om zijn gedrag te veranderen. De Raad onderschrijft daarom de conclusie van appellant dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin het bieden van (nog) een verbeterkans niet zinvol zou zijn. Appellant was dan ook bevoegd om betrokkene met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp te ontslaan en heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid kunnen komen tot het bestreden besluit.

3.8.

Uit 3.1 tot en met 3.7 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

4.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 februari 2015 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en M.C.D. Embregts en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) L.V. van Donk

HD