Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3164

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
25-08-2016
Zaaknummer
15/1672 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WW-uitkering. Geen melding gemaakt van werkzaamheden als zelfstandige. Hoedanigheid van werknemer verloren en WW-recht geëindigd. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0882

Uitspraak

15/1672 WW

Datum uitspraak: 24 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
29 januari 2015, 14/8122 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.K. Koornneef hoger beroep ingesteld en op verzoek van de Raad een nader stuk ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Koornneef. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is tot en met 31 december 2011 als technisch directeur werkzaam geweest bij [naam B.V.] B.V. ( [naam B.V.] ). Bij besluit van 16 januari 2012 heeft het Uwv appellant met ingang van 2 januari 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 38 per week.

1.2.

Op 15 oktober 2013 heeft appellant een wijzigingsformulier WW bij het Uwv ingediend, waarop hij heeft ingevuld dat hij in januari 2012 als zelfstandige zonder personeel (zzp-er) aan de slag is gegaan met behoud van uitkering, dat zijn bedrijf na een lange aanloopperiode meer omzet begint te genereren en dat hij verwacht dat dat invloed zal hebben op zijn uitkering. Naar aanleiding hiervan heeft een adviseur werk basisdienstverlening (adviseur werk) van het Uwv op 22 november 2013 een gesprek gehad met appellant. Tijdens dit gesprek heeft appellant verteld dat hij van het begin af aan de intentie heeft gehad voor zichzelf te beginnen; hij heeft nooit de intentie gehad om werk te zoeken en heeft ook niet gesolliciteerd. Hij heeft informatie hierover op internet doorgelezen en begrepen dat dit met behoud van uitkering kon. Hij heeft gesteld dat hij bij contacten met het Uwv melding heeft gemaakt van zijn activiteiten als zelfstandige. De adviseur werk heeft na het gesprek met appellant de zogenoemde werkmap van appellant geraadpleegd en geconstateerd dat appellant op 23 maart 2012, 19 september 2012, 22 januari 2013 en 3 oktober 2013 heeft gemeld niet naar door het Uwv georganiseerde bijeenkomsten te kunnen komen in verband met afspraken met opdrachtgevers onderscheidenlijk werkzaamheden als zzp-er.

1.3.

Bij besluit van 7 maart 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf januari 2012 werkzaam is als zelfstandige en daarom geen recht heeft op een WW-uitkering. In verband hiermee heeft het Uwv de uitkering vanaf 2 januari 2012 herzien (lees: ingetrokken) en de over de periode van 2 januari 2012 tot en met 17 november 2013 door appellant ontvangen uitkering van € 65.476,06 bruto teruggevorderd.

1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 maart 2014. Hangende de bezwaarprocedure heeft een opsporingsfunctionaris van het Uwv onderzoek gedaan. In het kader van dit onderzoek heeft de opsporingsfunctionaris de in 1.2 genoemde adviseur werk en appellant gesproken, dossieronderzoek gedaan, de systemen van het Uwv geraadpleegd, informatie ingewonnen bij een opdrachtgever en het handelsregister van de Kamer van Koophandel geraadpleegd. Zijn bevindingen heeft hij neergelegd in een proces-verbaal van

16 april 2014.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 23 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 maart 2014, mede onder verwijzing naar het

proces-verbaal van 16 april 2014, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar hetgeen hij ook in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, benadrukt dat het Uwv van meet af aan op de hoogte was van het feit dat hij een eigen bedrijf had opgestart. Bovendien heeft het Uwv gedurende bijna twee jaar geen enkele controle- of beoordelingsactie ondernomen, terwijl appellant geen enkele keer heeft gesolliciteerd. Hierdoor is bij appellant het gerechtvaardigde vertrouwen ontstaan dat hij terecht een WW-uitkering ontving. Appellant wist dat het mogelijk is met behoud van uitkering een eigen bedrijf te starten. Deze mogelijkheid wordt door het Uwv in de media gepropageerd. Zo bezien kon appellant niet weten dat wat hij deed niet klopte. De gevolgen van het stilzitten van het Uwv worden nu geheel afgewenteld op appellant. De politierechter heeft geconcludeerd tot voorwaardelijk opzet en zo het Uwv niet geheel vrij gepleit.

3.2.

Het Uwv heeft aangevoerd dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte een WW-uitkering was toegekend. Dat het Uwv signalen heeft gemist en onvoldoende acht heeft geslagen op het niet voldoen aan de sollicitatieplicht is niet relevant. Appellant heeft bij zijn aanvraag op geen enkele manier laten blijken dat hij plannen had om te gaan werken als zelfstandige en niet voornemens was om elders werk te zoeken. Appellant heeft uit internet en de media begrepen dat hij als zelfstandige zou kunnen gaan werken met behoud van uitkering. Dan had hem ook redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat daaraan voorwaarden zijn verbonden en had hij zich daar op kunnen oriënteren. Een belangrijke voorwaarde is het toestemming vragen. Dat heeft hij niet gedaan. Dat appellant zich onvoldoende heeft georiënteerd op de voorwaarden moet voor zijn risico blijven. Bovendien is het welhaast algemeen bekend dat werkzaamheden van invloed zijn op de uitkering. Wellicht zou bij meer oplettendheid van het Uwv de terugvordering lager zijn geweest, maar dat verandert niets aan het dwingende karakter van de terugvordering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ten tijde in geding waren de hierna genoemde wettelijke bepalingen van toepassing.

4.1.1.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de WW behoudt een persoon wiens dienstbetrekking is geëindigd de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd.

4.1.2.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest. Voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering op grond van artikel 20, tweede lid, van de WW voor het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd.

4.1.3.

Ingevolge artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, voor zover hier van belang, herziet het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering of trekt dat in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25 van de WW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

4.1.4.

Ingevolge artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

4.1.5.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a onverschuldigd is betaald door het Uwv teruggevorderd.

4.1.6.

Ingevolge artikel 77a, eerste lid, van de WW kan het Uwv een werknemer toestemming verlenen om gedurende maximaal 26 kalenderweken werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep te verrichten, waarbij ingevolge het bepaalde onder b van dat artikellid de voorwaarde geldt dat de werkzaamheden nog geen aanvang hebben genomen. De werknemer behoudt dan op grond van het tweede lid van dat artikel het recht op het uitkering en wordt op grond van het derde lid van dat artikel zolang de toestemming duurt geacht werknemer te zijn.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant vanaf januari 2012 werkzaamheden heeft verricht als zelfstandige, met onder meer zijn gewezen werkgeefster [naam B.V.] als opdrachtgeefster en dat hij zij eenmanszaak [naam eenmanszaak] Management en Bedrijfsadvies op
19 januari 2012 heeft laten inschrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Wat betreft de omvang van de door appellant als zelfstandige verrichte werkzaamheden, is er geen aanleiding om uit te gaan van een lager aantal uren dan hij gemiddeld voor [naam B.V.] heeft gewerkt.

4.3.

Appellant heeft voor zijn werkzaamheden als zelfstandige geen toestemming als bedoeld in artikel 77a, eerste lid van de WW gevraagd of verkregen.

4.4.

Uit 4.1.1 tot en met 4.3 volgt dat appellant door het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige de hoedanigheid van werknemer heeft verloren per 2 januari 2012 en dat het per 2 januari 2012 ontstane recht op diezelfde datum is geëindigd.

4.5.

Appellant heeft bij het aanvragen van een WW-uitkering op 2 januari 2012 geen melding gemaakt van zijn werkzaamheden als zelfstandige. Bij de vraag naar ander werk en/of inkomen, vraag 6 van het aanvraagformulier, heeft hij “nee” ingevuld, terwijl hij hier zijn werkzaamheden als zelfstandige moeten vermelden. Hij heeft hiermee niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting van artikel 25 van de WW en als gevolg hiervan ten onrechte uitkering ontvangen. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat hij kon menen dat vraag 6 van het aanvraagformulier alleen betrekking had op werkzaamheden in loondienst. Bovendien had het op de weg van appellant gelegen zich bij eventuele onduidelijkheden rond de bedoeling van deze vraag op het aanvraagformulier te wenden tot het Uwv en om opheldering te vragen. Appellant heeft dit niet gedaan.

4.6.

Het Uwv was op grond van de artikelen 22a, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 36, eerste lid, van de WW dan ook gehouden de uitkering van appellant in te trekken en de onverschuldigd betaalde uitkering van appellant terug te vorderen.

4.7.

Appellant heeft ter zitting het dwingende karakter van de in 4.6 genoemde wettelijke bepalingen erkend. Hij heeft toegelicht dat hetgeen hij in beroep en hoger beroep naar voren heeft gebracht moet worden gezien als een beroep op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. In zijn visie zou op grond van een of beide van deze beginselen kunnen en moeten worden afgezien van strikte toepassing van genoemde bepalingen. Hij heeft daarbij vooral benadrukt dat indien het Uwv eerder actie ondernomen had en/of gereageerd had op door hem afgegeven signalen – het afzeggen van bijeenkomsten in verband met afspraken met opdrachtgevers en werkzaamheden als zzp-er – het bedrag van de terugvordering niet zo hoog opgelopen zou zijn. Daarnaast heeft hij betoogd dat hij uit radiospotjes van het Uwv begrepen had dat het mogelijk was met behoud van uitkering als zelfstandige te starten.

4.8.

Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Het is aan degene die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel om te bewijzen dat hem zulke toezeggingen zijn gedaan. Hieraan is door appellant niet voldaan. Het niet reageren op weinig concrete, en in ieder geval niet tijdige en niet langs de geëigende weg gedane mededelingen over werkzaamheden als zelfstandige kan niet als zodanig worden aangemerkt.

4.9.

Het beroep van appellant op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt evenmin. Niet gebleken is dat het Uvw onjuiste informatie heeft verschaft. Appellant had heel wel kunnen onderkennen dat hij als gevolg van het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige geen recht had op een WW-uitkering als hij daarvoor geen toestemming had verkregen. Appellant heeft volgens zijn zeggen het internet geraadpleegd en zich verder laten leiden door radiospotjes van het Uwv over de mogelijkheid met behoud van uitkering als zelfstandige te starten. Hij heeft zich daarbij niet geïnformeerd over de voorwaarden voor het starten als zelfstandige met behoud van uitkering, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. Dat appellant zich niet nader heeft geïnformeerd dient voor zijn risico te blijven.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2016.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) B. Dogan

UM