Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3163

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
25-08-2016
Zaaknummer
15/787 AWBZ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:40, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag voor een indicatie voor Persoonlijke verzorging, Verpleging en Begeleiding terecht afgewezen. Geen twijfel aan de zorgvuldigheid en juistheid van de medische adviezen. CIZ heeft zich op grond van het ingebrachte medisch advies terecht op het standpunt heeft gesteld dat de behandeling die appellante voor haar klachten vanuit de Zvw kan krijgen voorliggend is op de aanspraak op AWBZ-zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/787 AWBZ

Datum uitspraak: 24 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
9 januari 2015, 13/5558 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.M. van der Boor, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift en, desgevraagd, een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1952, is bekend met onder meer diabetes mellitus, epilepsie, hoge bloeddruk en duizeligheidsklachten. Zij is geopereerd aan de rechterheup, heeft twee TIA’s doorgemaakt en er is een ingreep geweest voor baarmoederhalskanker. Zij woont samen met haar echtgenoot.

1.2.

Bij besluit van 1 april 2013 heeft CIZ de aanvraag voor een indicatie voor Persoonlijke verzorging, Verpleging en Begeleiding op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 19 juli 2013 (bestreden besluit) heeft CIZ het tegen het besluit van

1 april 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op een medisch advies van 7 juni 2013 van I. Dammar waarin deze beschrijft dat er sprake is van somatische aandoeningen met als gevolg lichte beperkingen. Daarbij is voor de lichamelijke klachten een revalidatietraject voorliggend en voor de angst een verwijzing naar de diabetespoli. Er is geen medische objectivering van cognitieve achteruitgang en psychische klachten. In dit advies heeft Dammar zich gebaseerd op de informatie verkregen van appellante en haar echtgenoot en telefonisch verkregen informatie van haar huisarts.

1.4.

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 12 juni 2014 CIZ de gelegenheid gegeven te onderbouwen waarom er geen reden is om aan te nemen dat appellante aanspraak heeft op Persoonlijke verzorging. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante geen aanspraak heeft op Verpleging en Begeleiding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen in stand gelaten. De rechtbank heeft verwezen naar een aanvullend medisch advies van 18 juli 2014 van N. Shahbazi-Kokshoorn, opgesteld na het inwinnen van informatie bij de huisarts van appellante en van fysiotherapeut S.J. Haanskorf en de orthopedische chirurgen E. Breemans en R.J. Raadt. De lichte beperkingen geven geen reden aan te nemen dat appellante niet zelf in haar persoonlijke verzorging kan voorzien.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daarbij aangevoerd dat zij na de tussenuitspraak de gelegenheid had moeten krijgen haar standpunt dat zij aanspraak heeft op AWBZ-zorg nader te onderbouwen. Ook had uit de uitspraak moeten blijken dat CIZ zich niet meer op het standpunt stelt dat het verlenen van AWBZ-zorg een anti-revaliderend effect heeft en er dus geen reden is de indicatie te weigeren. Voorts had CIZ ergotherapeutisch onderzoek moeten doen en rekening moeten houden met de duizeligheidsklachten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.

4.2.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ heeft de verzekerde behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw), aanspraak op de daarin genoemde zorg.

4.3.

In het medisch advies van 7 juni 2013 van Dammar en in samenhang daarmee de aanvullende medische adviezen van 13 januari 2014 en 18 juli 2014 van Shahbazi-Kokshoorn hebben de medisch adviseurs na het inwinnen van informatie bij de behandelaars vastgesteld dat appellante lichte beperkingen heeft voor het bewegen en verplaatsen, dat daarvoor geen revalidatietraject heeft plaatsgevonden, maar dat een dergelijk traject in beginsel voorliggend is. Voorts heeft Dammar verklaard dat voor de problemen bij het spuiten van insuline een verwijzing naar de diabetespoli voorliggend is en dat er geen sprake is van medisch objectiveerbare cognitieve achteruitgang dan wel psychische klachten. Voor het oordeel dat het (aangevulde) medisch advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, bestaat geen aanleiding. Appellante heeft gesteld dat zij de gelegenheid had moeten krijgen haar gronden nader te onderbouwen maar zij heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de medische adviezen.

4.4.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat CIZ zich op grond van het ingebrachte medisch advies terecht op het standpunt heeft gesteld dat de behandeling die appellante voor haar klachten vanuit de Zvw kan krijgen voorliggend is op de aanspraak op AWBZ-zorg. De vraag of de in de aanvraag beoogde zorg al dan niet een anti-revaliderend effect zou kunnen hebben, is in dezen niet meer van belang.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.F. Wagner en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2016.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) B. Dogan

NK