Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3153

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
29-08-2016
Zaaknummer
15/2515 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:1495, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. Appellant heeft onvoldoende inlichtingen verstrekt over zijn financiële situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2515 WWB

Datum uitspraak: 23 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

5 maart 2015, 14/2548 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROSCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Atceken-Ata, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Atceken-Ata. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en zijn echtgenote hebben zich op 17 mei 2013 gemeld om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Op 7 juni 2013 hebben appellant en zijn echtgenote de daartoe strekkende aanvraag ingediend. Daarbij hebben zij te kennen gegeven dat appellant tot 1 januari 2013 een autoschadebedrijf heeft gehad, dat hij geld geleend heeft voor zijn levensonderhoud en dat hij heeft geklust.

1.2.

Bij brieven van 4 september 2013 en 23 september 2013 zijn nadere gegevens bij appellant opgevraagd, waaronder recente bewijzen van schulden en een schriftelijke verklaring voor privéstortingen of overboekingen van meer dan € 25,-. Appellant heeft op

4 oktober 2013 stukken ingediend. Bij brief van 7 oktober 2013 is appellant bericht dat hij niet volledig heeft gereageerd op de brief van 23 september 2013 en is hem verzocht de ontbrekende gegeven alsnog te verstrekken, waaronder recente bewijzen van schulden en een schriftelijke verklaring voor privéstortingen of overboekingen van meer dan € 25,-. Appellant heeft deze gegevens niet verstrekt.

1.3.

Bij besluit van 5 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 maart 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant met de in bezwaar overgelegde verklaring van zijn moeder dat zij appellant gedurende het jaar 2013 € 12.500,- heeft geleend met de verplichting dit zo snel mogelijk terug te betalen, niet heeft aangetoond dat aan de lening van zijn moeder een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Voorts worden niet alle stortingen op de bankrekening van appellant met de verklaring van de moeder van appellant verduidelijkt, zodat appellant niet de voor het vaststellen van het recht op bijstand benodigde inlichtingen heeft verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 17 mei 2013 tot en met 5 december 2013.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het college de stortingen op zijn rekening die afkomstig zijn van zijn moeder ten onrechte niet heeft aangemerkt als een lening.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138) heeft een betrokkene in beginsel geen recht op bijstand indien en voor zover hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. Dit kan anders zijn indien die betrokkene in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontvangt ter voorziening in zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen. Zie de uitspraak van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3872. Daartoe dient de betrokkene aannemelijk te maken dat er geen ander inkomen is en voorts dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. Daarvoor is van belang dat betrokkene aannemelijk maakt van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen, dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat die dus terugbetaald moet worden, en dat die lening voor levensonderhoud bedoeld is. Een bankoverschrijving met de vermelding “lening voor levensonderhoud” zal daartoe in beginsel volstaan. Voorts moet daarbij de identiteit van de crediteur vaststaan. Zie de uitspraak van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188.

4.5.

Aan de in 4.4 vermelde vereisten is niet voldaan. Bij de bankoverschrijvingen van de moeder van appellant staat slechts vermeld “transfer to sons account” en niet dat het daarbij gaat om een lening of een lening voor levensonderhoud. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat bij het aangaan van de gestelde lening, en niet later, de afspraak is gemaakt dat die terugbetaald moet worden. Appellant heeft pas in bezwaar een

- ongedateerde - verklaring van zijn moeder overgelegd, waarin is vermeld dat appellant het geleende bedrag “zo snel mogelijk zal retourneren”. Over de terugbetaling zijn, blijkens de in hoger beroep overgelegde overeenkomst, pas op 10 februari 2015 concrete afspraken gemaakt die bovendien, zoals ter zitting in hoger beroep bleek, niet zijn nagekomen. Appellant had toen immers nog niets afgelost, terwijl hij sinds 2014 bijstand ontving. De beroepsgrond vermeld in 4.3 slaagt daarom niet.

4.6.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet de nodige duidelijkheid te verschaffen over de volgende (kas)stortingen in 2013: € 500,- op 5 maart, € 200,- op 24 juni, € 100,- op

25 juni, € 150,- op 29 juli, € 100,- op 5 augustus, € 550,- op 9 september en € 120,- op

17 september. Het gaat hier, aldus appellant, om bedragen die hij eerst, na een overschrijving van zijn moeder, heeft opgenomen en later heeft teruggestort.

4.7.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellant dit onvoldoende heeft onderbouwd. Daartoe is het volgende van belang. De kasstorting op

5 maart 2013 kan niet afkomstig zijn van een door de moeder van appellant overgemaakt bedrag, omdat de eerste overschrijving van zijn moeder in 2013 van 19 maart dateert en appellant niet heeft gesteld dat zijn moeder ook al vóór 2013, toen hij zijn bedrijf nog had, bedragen aan hem overmaakte. Appellant heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het bedrag dat hij op 5 maart 2013 op zijn rekening heeft gestort, ook geld kan zijn dat hij nog thuis had of van iemand anders dan zijn moeder had geleend. Ook ten aanzien van de andere in 4.6 vermelde stortingen geldt dat appellant onvoldoende met verifieerbare gegevens heeft onderbouwd dat deze afkomstig zijn van door zijn moeder overgemaakte bedragen. Op de bankoverzichten is wel te zien dat appellant bedragen van zijn rekening opneemt en dat soms binnen korte tijd daarna bedragen op zijn rekening worden gestort, maar de opgenomen en gestorte bedragen komen niet overeen en zijn niet verifieerbaar met elkaar in verband te brengen. Appellant heeft de herkomst van deze stortingen niet aannemelijk gemaakt.

4.8.

Gelet op 4.5 tot en met 4.7 beschikte appellant in de te beoordelen periode behalve over middelen die hij van zijn moeder had ontvangen, over middelen uit onvoldoende verklaarde geldstortingen. Hierdoor is de financiële situatie van appellant onduidelijk gebleven. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellant onvoldoende gegevens heeft verstrekt om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Appellant heeft hierdoor niet voldaan aan de op hem ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting op grond waarvan niet is vast te stellen of en, zo ja, in welke mate hij in de te beoordelen periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. De aanvraag is terecht afgewezen.

4.9.

Het hoger beroep slaagt niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en M. ter Brugge en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) M.S. Spek

HD