Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3129

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2016
Datum publicatie
23-08-2016
Zaaknummer
15/4339 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb heeft terecht een nabestaandenuitkering geweigerd omdat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De autonome vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de ANW wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek overeenkomstig de vereisten van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. De omstandigheid dat appellante niet is onderzocht door een Nederlandse verzekeringsarts kan niet leiden tot de conclusie dat het medisch onderzoek om deze reden onzorgvuldig is uitgevoerd. De Raad wijst er in dit verband op dat op grond van het Europees gemeenschapsrecht, in een situatie als de onderhavige, een arts in het woonland de medische toestand van appellante vaststelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/4339 ANW

Datum uitspraak: 19 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 mei 2015, 14/7997 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] , Polen (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.J. ten Seldam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft de Svb een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juni 2016 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 juni 2016 ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ten Seldam. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren op [geboortedatum] 1957 en woont in Polen. Zij heeft bij de Svb op

30 november 2012 een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd in verband met het overlijden van haar echtgenoot op [datum] 2012. De overleden echtgenoot van appellante, die vanaf 1987 in Nederland gewerkt en gewoond heeft, is met ingang van 20 oktober 1995 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en is daarna teruggekeerd naar Polen. Appellante heeft bij haar aanvraag vermeld dat zij wegens lichamelijke en psychische klachten haar werkzaamheden als zelfstandig vertaalster niet meer kan uitoefenen.

1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de Svb het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verzocht te onderzoeken of appellante arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW. Het Uwv heeft de Svb bij brief van 27 mei 2014 laten weten dat appellante in staat is om tenminste 55% te verdienen van wat gezonde personen met gelijksoortige opleiding en ervaring ter plaatse waar zij arbeid zou verrichten, gewoonlijk verdienen. Het Uwv heeft de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een door een Poolse verzekeringsarts in Polen op 10 december 2013 uitgevoerd medisch onderzoek, een rapport van een verzekeringsarts van 21 maart 2014 en een rapport van een arbeidsdeskundige van 21 mei 2014. Bij besluit van 4 juni 2014 heeft de Svb vervolgens vastgesteld dat voor appellante geen recht op een ANW-uitkering is ontstaan.

1.3.

Bij besluit van 30 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 oktober 2014 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 oktober 2014 ten grondslag.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht omdat de Svb geen gemotiveerd standpunt heeft ingenomen over de bezwaargronden. Daarnaast is de Svb tot een bedrag van

€ 980,- veroordeeld in de proceskosten die appellante in de beroepsfase heeft gemaakt en is de Svb opgedragen om het door appellante betaalde griffierecht van € 45,- te vergoeden. De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

2.2.

De rechtbank heeft in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om te oordelen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. In het geval van appellante waren er voldoende medische gegevens beschikbaar en bestond er geen noodzaak voor de verzekeringsarts om appellante persoonlijk te onderzoeken. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet deugdelijk is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 7 oktober 2014 gemotiveerd uiteengezet waarom bij appellante ten tijde in geding, te weten op [datum] 2012, geen sprake was van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Niet is gebleken dat bij appellante ten tijde van of kort na het overlijden van de echtgenoot al sprake was van psychische klachten. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 oktober 2014 zijn dan ook terecht geen beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Wat de lichamelijke klachten betreft is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep die heeft onderschat en dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden gesteld dan is gedaan in de FML. De door appellante ingebrachte medische verklaringen van 8 augustus 2014 en 8 januari 2015 van de behandelend sector doen hieraan niet af, omdat hieruit niet blijkt dat de daarin weergegeven onderzoeksbevindingen betrekking hebben op de datum in geding. Voorts is niet gebleken dat de in de FML opgenomen urenbeperking niet afdoende is.

2.3.

De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 30 juli 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5912) en 27 augustus 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7420) overwogen dat bij de arbeidskundige beoordeling terecht aansluiting is gezocht bij de Nederlandse maatstaven en terecht aan de hand daarvan de theoretische verdiencapaciteit van appellante is vastgesteld. Voor zover appellante in beroep nog stelt dat bij de berekening van het maatmaninkomen uitgegaan had moeten worden van de winstgegevens van haar bedrijf over de jaren 2009, 2010 en 2011, overweegt de rechtbank dat uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep blijkt dat dit leidt tot een lager maatmaninkomen dan wanneer wordt uitgegaan van het Nederlandse minimumloon. Appellante is dan ook niet tekort gedaan doordat bij de vaststelling van de theoretische verdiencapaciteit het Nederlandse minimumloon als maatmaninkomen is gehanteerd. Het betoog dat appellante vanwege haar opleidingsniveau en ervaring in Nederland een veel hoger salaris zou kunnen verdienen, slaagt evenmin. De rechtbank is verder van oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de FML van 7 oktober 2014, de functies die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 20 oktober 2014 heeft geselecteerd, gelet op de daaraan verbonden belasting en de arbeidskundige onderbouwing, in medisch opzicht geschikt kunnen worden geacht voor appellante. Het betoog dat appellante door haar lichamelijke beperkingen de geduide functies niet kan verrichten faalt daarom.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest, omdat zij niet persoonlijk door de verzekeringsarts van het Uwv is onderzocht, terwijl de verzekeringsarts zelf van mening is dat het onderzoeksrapport van de Poolse verzekeringsarts summier is. Appellante heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zij op medische gronden niet in staat is arbeid te verrichten. Appellante heeft in dit verband aangevoerd dat zij sinds het overlijden van haar echtgenoot depressief is, niet in staat is sociaal te functioneren en afhankelijk is van anderen bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen. Daarnaast heeft appellante fysieke klachten, waarvoor zij medicatie tegen de pijn gebruikt. Volgens appellante zijn haar beperkingen niet afdoende in de FML verwerkt.

3.2.

Als grond van arbeidskundige aard heeft appellante aangevoerd dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid uitgegaan is van een onjuist maatmaninkomen. Volgens appellante had het maatmaninkomen naar Poolse maatstaven moeten worden berekend. Het is eenvoudig vast te stellen wat zij in Polen kan verdienen en wat er in Polen verdiend kan worden met de geselecteerde functies. Een alternatief is dat gekeken wordt naar het inkomensverlies dat zij lijdt doordat zij haar eigen vertaalbureau in Polen heeft moeten beëindigen. Een derde optie is na te gaan wat appellante in Nederland zou hebben kunnen verdienen met de functie van vertaalster die zij heeft uitgeoefend tot aan haar arbeidsongeschiktheid, en die inkomsten te vergelijken met wat zij zou kunnen verdienen met de geselecteerde functies. Daarnaast is de schatting die van het maatmaninkomen is gemaakt onjuist omdat daarbij is uitgegaan is van het Nederlandse minimumloon in plaats van de winst die appellante heeft gegenereerd met haar eigen vertaalbureau over de laatste drie boekjaren voor het overlijden van haar echtgenoot. Alle berekeningswijzen leiden tot de slotsom dat appellante meer dan 45% arbeidsongeschikt is en daarom wel degelijk arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW. Wat de geduide functies betreft, heeft appellante aangevoerd dat zij die vanwege haar problemen in de rug, de heup en de gewrichten niet kan uitoefenen.

3.3.

De Svb heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is de vraag of de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat de Svb met recht heeft geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt is.

4.2.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW.

Artikel 11 van de ANW luidt:

“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”

4.3.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1702, heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand om bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten. Dit zal bijvoorbeeld niet mogelijk zijn waar bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van de bepalingen van de arbeidsongeschiktheidswetten wordt afgeweken, nu de ANW voor een dergelijke afwijking geen basis kent. Voorts dienen bij de toepassing van artikel 11 van de ANW doel en strekking van deze wet als uitgangspunt te gelden. In zijn beleidsregel Arbeidsongeschiktheid, SB1018, heeft de Svb in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad als uitgangspunt geformuleerd dat de autonome vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de ANW wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek overeenkomstig de vereisten van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

4.4.

De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft de aan de aangevallen uitspraak ten grondslag liggende overwegingen. De omstandigheid dat appellante niet is onderzocht door een Nederlandse verzekeringsarts kan niet leiden tot de conclusie dat het medisch onderzoek om deze reden onzorgvuldig is uitgevoerd. De Raad wijst er in dit verband op dat op grond van het Europees gemeenschapsrecht, in een situatie als de onderhavige, een arts in het woonland de medische toestand van appellante vaststelt. De verzekeringsarts heeft de door de Poolse verzekeringsarts op het E213-formulier van 10 december 2013 beschreven medische toestand van appellante voldoende geacht om (mede) op grond daarvan de belastbaarheid van appellante te kunnen vaststellen. Uit dit formulier blijkt dat de Poolse verzekeringsarts zijn bevindingen gebaseerd heeft op de anamnese, lichamelijk en psychisch onderzoek en op informatie van de behandelend sector. Er zijn geen aanknopingspunten dat de verzekeringsarts niet heeft mogen uitgaan van het rapport van de Poolse verzekeringsarts. Onder deze omstandigheden behoefde appellante niet te worden onderzocht door de verzekeringsartsen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om in verband met de rug- en nekklachten van appellante in de rubrieken 4 en 5 van de FML verdergaande beperkingen op te nemen. Omdat de psychische klachten eerst enige tijd na het overlijden van de echtgenoot zijn ontstaan, zijn hiervoor in de FML geen beperkingen aangenomen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat wat betreft de medische grondslag er geen grond voor twijfel is aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv in acht genomen medische beperkingen van appellante, zoals neergelegd in de FML van 7 oktober 2014. De Raad acht voorts afdoende gemotiveerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 15 juni 2016 dat de informatie van de behandelend arts van 8 januari 2015 betrekking heeft op de situatie meerdere jaren na de datum in geding en niet leidt tot een andere beoordeling.

4.5.

Met betrekking tot de grond van appellante dat het maatmaninkomen en haar verdiencapaciteit ten onrechte zijn gerelateerd aan de Nederlandse arbeidsmarkt geldt dat, zoals onder 4.3 is overwogen, bij de uitvoering van artikel 11 van de ANW zo veel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid volgens de arbeidsongeschiktheidswetten. Bij die beoordeling wordt de verdiencapaciteit van de betrokkene vastgesteld aan de hand van de geschiktheid voor functies in Nederland, ook als die betrokkene zich in het buitenland bevindt. Niet is in te zien dat hierbij voor de uitvoering van artikel 11 van de ANW geen aansluiting kan worden gezocht. Zoals de Raad eerder, bijvoorbeeld in de uitspraak van 3 juli 2008 (ECLI:NL:2008:BD6782), heeft overwogen, heeft de ANW als doel een voorziening op minimumniveau te bieden en dient voor de beoordeling van de aanspraken ingevolge deze wet dat minimumniveau uitgangspunt te zijn. Het gaat daarbij om het minimumniveau naar Nederlandse maatstaven en het ligt daarom voor de hand ook de resterende verdiencapaciteit naar Nederlandse maatstaven, dat wil zeggen aan de hand van functies in Nederland, te bezien. De Raad merkt hierbij nog op dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid aan de hand van functies en wettelijk minimumloon – zo dat al bestaat – in het woonland van de betrokkene uitvoeringstechnisch zeer complex zou zijn.

4.6.

Uitgaande van de juistheid van de FML moet worden geoordeeld dat de in bezwaar aan de schatting ten grondslag gelegde functies van inpakker, machinebediende

inpak-/verpakkingsmachine, administratief medewerker en samensteller elektrotechnische apparaten/wikkelaar voor appellante in medisch opzicht passend zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 20 oktober 2014 en 16 juni 2016 naar behoren gemotiveerd dat de belasting van deze functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

4.7.

Uit de overwegingen onder 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en L. Koper en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2016.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) J.M.M. van Dalen

UM