Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3127

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2016
Datum publicatie
23-08-2016
Zaaknummer
15/2715 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geen aanleiding de beoordeling van het Uwv voor onjuist te houden. Appellante heeft niet met objectief medische gegevens aannemelijk gemaakt dat zij de aan de maatgevende arbeid verbonden werkzaamheden niet zou kunnen verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0886

Uitspraak

15/2715 WIA

Datum uitspraak: 17 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 maart 2015, 14/696 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.E. Mussche hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Mussche. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als administratief medewerkster voor 13,97 uur per week. Met ingang van 10 oktober 2011 heeft zij zich ziek gemeld wegens lichamelijke klachten. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft de verzekeringsarts voor appellante beperkingen vastgesteld voor het verrichten van arbeid en deze neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Daarbij heeft hij kennis genomen van informatie van de behandelend sector. Het betreft een brief van de huisarts van 20 augustus 2013, brieven van de revalidatiearts van 14 augustus 2012 en van 27 februari 2013, brieven van de orthopeed van 6 januari 2012 en van 13 februari 2012 en een brief van de neurochirurg van
16 februari 2012. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat appellante aan het einde van de wettelijke wachtperiode met ingang van 25 oktober 2013 in staat kan worden geacht de maatgevende arbeid te verrichten. Bij besluit van 16 september 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat zij met ingang van 25 oktober 2013 niet arbeidsongeschikt was.

1.2.

In bezwaar is namens appellante aangevoerd dat met de oorzaak van de klachten, namelijk zware migraine-achtige hoofdpijn geen rekening is gehouden. Appellante heeft te kennen gegeven dat op haar 22 jarige leeftijd fibromyalgie is vastgesteld. Appellante stelt haar werkzaamheden niet volledig te kunnen vervullen, onder meer wegens het efficiencybeleid van CZ waaraan zij niet kon voldoen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 26 november 2013 de tijdens de hoorzitting overgelegde medische informatie van drs. L. Alfers van de Praktijk voor Traditionele Chinese Geneeskunde van
24 november 2013meegewogen en de medische beoordeling bevestigd. Nadat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep appellante onveranderd in staat heeft geacht de maatgevende arbeid te verrichten, heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van
21 januari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. In beroep heeft appellante onder meer betwist geschikt te zijn voor de maatgevende arbeid. Het werk dat appellante verrichtte voordat zij ziek werd, is niet hetzelfde werk als zij tijdens de re-integratie verrichtte. Appellante heeft nog nadere medische informatie ingezonden, te weten een brief van therapeute L. Alfers van 3 maart 2014 en brieven van de anesthesioloog van 8 oktober 2013 en van 16 april 2014. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierin geen aanleiding gezien het ingenomen standpunt te herzien. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de geschiktheid voor de maatgevende arbeid nog nader toegelicht.

3. Bij tussenuitspraak van 22 september 2014 heeft de rechtbank vastgesteld dat de belasting van de maatgevende arbeid door de arbeidsdeskundige slechts globaal in beeld is gebracht. De rechtbank acht niet duidelijk op basis waarvan de functiebelasting is vastgesteld. Niet gebleken is dat de arbeidsdeskundige de werkgever bij het de functiebeschrijving heeft geconsulteerd, noch is een werkplekonderzoek uitgevoerd. Aangezien appellante werkzaam was in aangepast werk is onvoldoende aangetoond dat zij in staat kan worden geacht haar eigen functie te vervullen.

4. Bij brief van 15 oktober 2014 heeft het Uwv van de gelegenheid gebruik gemaakt om het door de rechtbank vastgestelde gebrek te herstellen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij rapport van 13 oktober 2014 nader toegelicht op grond waarvan appellante in staat is geacht de maatgevende arbeid te vervullen en verder – subsidiair – functies geduid op grond waarvan de theoretische mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%. Appellante heeft hierop haar zienswijze gegeven. Wat betreft de geselecteerde functies heeft zij aangevoerd deze vanwege het beoordelingspunt dynamisch handelen niet te kunnen vervullen. Naderhand heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep alsnog een werkplekonderzoek uitgevoerd en de resultaten daarvan bij rapport van 16 december 2014 kenbaar gemaakt. Verder is een toelichting gegeven op de geschiktheid van de geduide functies. Partijen hebben nog nadere stukken ingediend, waarbij het ingenomen standpunt is gehandhaafd.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten en beslissingen genomen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zorgvuldig en deskundig is geweest. De omstandigheid dat appellante nog in opleiding was voor die functie maakt niet dat het niet als de maatgevende arbeid kan worden aangemerkt. Niet gebleken is dat de functiebelasting in de maatgevende arbeid de belastbaarheid van appellante heeft overschreden.

6. Appellante heeft in hoger beroep de eerdere gronden van het beroep gehandhaafd. Verder heeft appellante bij brief van 20 juni 2016 gewezen op een behandeling medio 2015 door een anesthesioloog en ter zake medische informatie van 13 augustus 2015 in geding gebracht.

7.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

7.2.

De rechtbank heeft met juistheid de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. In wat door appellante is aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien de beoordeling van het Uwv voor onjuist te houden. Hiertoe wordt overwogen dat het bij de beoordeling van de geschiktheid voor de maatgevende arbeid in het kader van de Wet WIA, anders dan in het kader van de Ziektewet, gaat om de voor datum uitval verrichte functie zonder de specifieke bij die functie behorende omstandigheden bij de werkgever daarbij te betrekken. Appellante heeft haar standpunt wat betreft het niet geschikt zijn voor de maatgevende arbeid aldus toegelicht dat, indien sprake is van een dubbele nekhernia en een niet optimaal functionerende linker arm, geen enkele werkplek goed is in te stellen. Gezien de werkdruk was onderbreking van het werk volgens appellante niet mogelijk. Dat appellante, naar eigen zeggen, bepaalde onderdelen van haar functie niet vervulde omdat zij zich daartoe zelf niet in staat achtte betekent niet, dat zij die functie niet zou kunnen vervullen. Appellante heeft niet met objectief medische gegevens aannemelijk gemaakt dat zij de aan de maatgevende arbeid verbonden werkzaamheden niet zou kunnen verrichten. Wat betreft de bij brief van 20 juni 2016 ingezonden informatie wordt overwogen dat deze betrekking heeft op een behandeling vanwege pijnklachten die in september 2015 heeft plaatsgehad. Deze informatie brengt geen wijziging in de beoordeling van de belastbaarheid van appellante van ongeveer twee jaar daarvoor. Uitgaande van de geschiktheid van appellante voor de maatgevende arbeid op de datum in geding, kan de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit onbesproken blijven.

7.3.

Uit overweging 7.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2016.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) N. van Rooijen

SS