Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3122

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
23-08-2016
Zaaknummer
15/1882 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een aantal werkzaamheden van appellant is ten onrecht niet in de functietypering van Groepschef opgenomen. Overschrijding redelijke termijn. De Raad voorziet zelf en bepaalt dat aan de functietypering van Groepschef een aantal punten wordt toegevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1882 AW

Datum uitspraak: 4 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (verweerder)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil verweerder in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Bij uitspraak van 11 december 2014, 13/2487 e.v. (ECLI:NL:CRVB:2014:4165), heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 29 maart 2013, 12/2852, bevestigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door verweerder nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Namens appellant heeft mr. R. Radema beroep ingesteld tegen het nieuwe besluit van verweerder van 2 februari 2015.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken in het geding gebracht.

Namens appellant heeft mr. Radema nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met zaak 15/1889 AW, plaatsgevonden op 23 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Radema. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Cuperus en P.H.H. Reijnders.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als [functie A] (projectleider schaal 8) binnen de [Naam dienst] van de voormalige politieregio Amsterdam-Amstelland.

1.2.

Nadat verweerder appellant kenbaar had gemaakt dat hij in het kader van de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) het voornemen had de functie van projectleider schaal 8 aan te merken als uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het LFNP, heeft appellant verzocht om functieonderhoud op grond van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Trfp, Stcrt. 2012, nr. 3097).

1.3.

Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 april 2012.

1.4.

Bij uitspraak van 29 maart 2013, 12/2212, heeft de rechtbank Amsterdam (rechtbank) het beroep tegen het besluit van 3 april 2012 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft naar aanleiding van de stelling van appellant dat hij belast is met het informeren van de beoordelaar ter voorbereiding op beoordelingen en functioneringsgesprekken geoordeeld dat verweerder niet heeft uitgelegd waarom in de functie van [functie B] (projectleider schaal 9) ervoor is gekozen om deze taak expliciet te omschrijven, terwijl dezelfde taak in de functie van projectleider schaal 8 impliciet wordt geschaard onder een andere omschrijving. Verweerder heeft hiermee niet consistent gehandeld; hij had deze inconsistentie moeten betrekken bij zijn oordeelsvorming. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien het beroep van appellant gegrond te verklaren.

1.5.

Bij uitspraak van 11 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4165), heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 29 maart 2013 bevestigd, het beroep tegen de ter uitvoering van deze uitspraak genomen nieuwe beslissing op bezwaar van 15 mei 2013 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van zijn uitspraak en bepaald dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld. Aan zijn oordeel heeft de Raad, samengevat en voor zover hier van belang, het volgende ten grondslag gelegd.

1.5.1.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat de door appellant verrichte werkzaamheden niet als projectmatig kunnen worden aangemerkt. De kern van de functie van appellant behelst volgens verweerder in wezen operationeel leidinggeven ten behoeve van een (doorlopend) aandachtsgebied, waarbij een wisselende groep van medewerkers wordt aangestuurd. De kern van de functie van appellant, zoals beschreven in de functietypering [functie A] is echter het leiden van projecten. Uit deze typering kan het projectmatig werken niet worden weggedacht, zonder deze kern wezenlijk geweld aan te doen. Aannemelijk is dat appellant een belangrijke rol vervult bij het houden van functioneringsgesprekken. Deze werkzaamheden van appellant kunnen niet onder de in de functietypering opgenomen taak van advisering worden gebracht. Deze bezigheden zijn voorts zo substantieel en structureel dat zij aparte vermelding in de functietypering verdienen. Gelet op dit een en ander moet vastgesteld worden dat de kern van de functie van appellant ten onrechte niet is terug te vinden in de gehanteerde functietypering, terwijl de werkzaamheden van appellant bij het houden van functioneringsgesprekken daarin ten onrechte niet apart zijn vermeld. Dit betekent dat verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de werkzaamheden van appellant niet wezenlijk afwijken van de voor hem geldende functietypering van [functie A]. Aan het besluit van 15 mei 2013 kleeft evenzeer het gebrek dat de kern van de functie van appellant ten onrechte niet is terug te vinden in de gehanteerde functietypering, aldus de Raad.

1.6.

Bij het, ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 11 december 2014 genomen, besluit van 2 februari 2015 (bestreden besluit) heeft verweerder de nieuwe, generieke, functietypering van Groepschef [Naam dienst] op appellant van toepassing verklaard.

2. Appellant heeft zich in beroep op de hierna te bespreken gronden tegen het bestreden besluit gekeerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Span of control

4.1.

Appellant heeft betoogd dat in de functietypering van Groepschef [Naam dienst] ten onrechte een indicatie van de ‘span of control’ ontbreekt. Appellant wordt hierin niet gevolgd. Verweerder mocht in de functietypering volstaan met het opnemen van de functiedefinitie: “Medewerk(st)er die zelfstandig verantwoordelijk is voor de inzet van een wisselende groep medewerkers elders in de organisatie, en tevens de dagelijkse leiding kan hebben over een (wisselende) groep medewerkers binnen de context van een aandachtsgebied elders in de organisatie.” Niet kan worden gezegd dat de kern van de functie niet in de functietypering tot uitdrukking komt. De span of control brengt in het onderhavige geval in essentie geen verandering met zich in de feitelijk opgedragen werkzaamheden (vergelijk de uitspraak van 30 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1432). De Raad voegt hieraan nog toe dat een indicatie van de span of control evenzeer ontbrak in de (oorspronkelijke) functietypering van [functie A] en appellant aan zijn aanvraag om functieonderhoud niet ten grondslag heeft gelegd dat er op dit punt sprake is van wezenlijk afwijkende werkzaamheden.

4.2.1.

Appellant heeft verder aangevoerd dat verweerder de volgende door hem verrichte werkzaamheden, taken en verantwoordelijkheden ten onrechte niet heeft opgenomen in de op hem van toepassing verklaarde functietypering van Groepschef [Naam dienst]:

  1. “Is verantwoordelijk voor budgetbeheer en een doelmatige registratie/administratie.”

  2. “Bereidt voor, zet activiteiten met betrekking tot het aandachtsgebied op en is verantwoordelijk voor het behalen van het resultaat.”

  3. “Is, als beslisser van dienst, namens de wijkteam- of dienstchef verantwoordelijk voor het nemen van beslissingen binnen de aangegeven kaders”

  4. “Meer beheersmatige verantwoordelijkheden”

4.2.2.

Ter toelichting op het onder 4.2.1 weergegeven betoog heeft appellant naar voren gebracht dat er in de dagelijkse werkzaamheden geen noemenswaardige verschillen zijn aan te wijzen tussen zijn functie van projectleider schaal 8 en de functie van projectleider

schaal 9. Volgens appellant maakt verweerder dan ook ten onrechte onderscheid bij de beschrijving van de werkzaamheden in de functiebeschrijvingen van beide functies. Appellant heeft erop gewezen dat op de collega’s van appellant, werkzaam als projectleider schaal 9, eveneens een nieuwe functiebeschrijving, de functietypering van Groepschef [Naam dienst], van toepassing is verklaard. De meest in het oog springende verschillen tussen deze functiebeschrijving, en die van appellant, zijn opgesomd onder 4.2.1. Appellant is van mening dat de daar genoemde werkzaamheden, taken en verantwoordelijkheden (ook bij hem) afzonderlijke vermelding verdienen in de nieuwe functiebeschrijving.

Beslisser van Dienst

4.2.3.

Het betoog van appellant dat hij als Beslisser van Dienst, namens de wijkteam- of dienstchef, verantwoordelijk is voor het nemen van beslissingen binnen de aangegeven kaders en dat zijn werkzaamheden in zoverre ten onrechte niet tot uitdrukking komen in de functietypering van Groepschef [Naam dienst], slaagt niet. De Raad is met verweerder van oordeel dat de door appellant genoemde werkzaamheden kunnen worden geschaard onder de, onder het eerste hoofdbestanddeel van de functie, aangeduid met het kopje ‘Voorbereiding/uitvoering’, opgesomde taken: “Geeft dagelijks leiding aan de uitvoering van de werkzaamheden van een wisselende groep medewerkers binnen het wijkteam” en “Plant, organiseert, geeft vorm en evalueert de verrichte werkzaamheden”.

Overige werkzaamheden, taken en verantwoordelijkheden genoemd onder 4.2.1

4.2.4.

Appellant heeft zich in deze procedure van meet af aan - ondersteund door verklaringen van collega’s - op het standpunt gesteld dat er in de praktijk geen verschil is tussen de werkzaamheden die de projectleiders schaal 9 uitvoerden en de aan appellant, als projectleider schaal 8, opgedragen werkzaamheden. Namens verweerder is ter zitting van de Raad bevestigd dat de werkzaamheden in beide functies grotendeels dezelfde zijn. Essentieel onderscheid tussen beide functies is volgens verweerder wel dat de projectleider schaal 9 ook de rol vervult van Chef van Dienst en (uit dien hoofde) fungeert als hulpofficier van justitie. Desgevraagd is namens verweerder verder toegelicht dat de functie van projectleider schaal 8 een specifiek Amsterdamse aangelegenheid is geweest en dat in andere (voormalige) politieregio’s enkel de functie van projectleider schaal 9 voorkwam, dat de functie van projectleider schaal 8 was bedoeld als doorgroeifunctie (richting projectleider schaal 9) en dat het verder de bedoeling was om per wijkteam drie à vier projectleiders schaal 8 te hebben, maar dat dit door personeelsgebrek uiteindelijk niet echt van de grond is gekomen.

4.2.5.

Ook voor de Raad staat voldoende vast dat er - afgezien van het door de korpschef benadrukte, onder 4.2.4 genoemde, verschil - in de praktijk nagenoeg geen onderscheid bestaat tussen de werkzaamheden van de projectleiders in schaal 8 en de projectleiders in schaal 9. Dit mede in aanmerking nemende is de Raad, met appellant, van oordeel dat de werkzaamheden genoemd onder 4.2.1, sub A, B en D - nu deze wel zijn opgenomen in de, op de projectleiders schaal 9 van toepassing verklaarde, functietypering van Groepschef B Wijkteam - ook in de op appellant van toepassing verklaarde functietypering van Groepschef [Naam dienst] afzonderlijk dienen te worden vermeld. Verweerder heeft niet kunnen uitleggen waarom er in de functie van Groepschef B Wijkteam voor is gekozen om deze werkzaamheden expliciet te omschrijven, terwijl dezelfde werkzaamheden in de functie van Groepschef [Naam dienst] kennelijk impliciet worden geschaard onder andere omschrijvingen. De Raad tekent hierbij nog aan dat de andere omschrijvingen waarop de korpschef in dit verband doelt (veelal) ook zijn opgenomen in de functietypering van Groepschef B Wijkteam. Consistent handelen eist in de gegeven omstandigheden dat de beschrijving van de werkzaamheden genoemd onder 4.2.1, sub A, B en D in beide functiebeschrijvingen niet verschilt (vergelijk de uitspraak van 4 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO5133). De hierop gerichte beroepsgronden van appellant treffen doel.

Het houden van beoordelingsgesprekken

4.3.

In zijn uitspraak van 11 december 2014 heeft de Raad het standpunt van verweerder, dat de werkzaamheden van betrokkene in het kader van zijn rol bij het houden van beoordelingsgesprekken geen aparte vermelding in de functietypering behoeven, onderschreven. Dit aspect kan - gelet op het uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel van de Raad in de uitspraak van 11 december 2014 over die beroepsgrond - nu niet meer aan de orde worden gesteld.

Redelijke termijn

4.4.1.

Appellant heeft ten slotte verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.4.2.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.

4.4.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen.

4.4.4.

In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (uitspraak van 26 januari 2009, reeds aangehaald).

4.4.5.

In een geval als dit, waarin een vernietiging van een beslissing op bezwaar, met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, leidt tot het opnieuw instellen van beroep, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie).

4.4.6.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door de korpschef op 22 november 2011 van het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van

21 oktober 2011 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaren en ruim acht maanden verstreken. De Raad heeft in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest). De overschrijding komt derhalve geheel voor rekening van de korpschef. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt is niet gebleken. De door appellant geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op tweemaal € 500,-, dat is € 1.000,-, te betalen door verweerder.

Slotoverwegingen

4.5.

Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.2.5 is overwogen, moet het beroep gegrond worden verklaard en moet het bestreden besluit, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, worden vernietigd, voor zover de werkzaamheden van appellant zoals genoemd in rechtsoverweging 4.2.1, onder A, B en D, niet in de functietypering van Groepschef [Naam dienst] zijn opgenomen. De Raad ziet uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en

onder b, van de Awb op de hierna aan te geven wijze zelf in de zaak te voorzien.

5. Aanleiding bestaat om verweerder te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar en beroep. Deze worden begroot op € 992,- in bezwaar en € 992,- in beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 2 februari 2015, voor zover de werkzaamheden van appellant zoals

genoemd in rechtsoverweging 4.2.1, onder A, B en D, niet in de functietypering van

Groepschef [Naam dienst] zijn opgenomen;

- bepaalt dat aan de functietypering van Groepschef [Naam dienst] onder

‘Voorbereiding/uitvoering’ wordt toegevoegd: ‘Is verantwoordelijk voor budgetbeheer en

een doelmatige registratie/administratie.’ en dat onder ‘Niveaubepalende elementen’

respectievelijk wordt toegevoegd: ‘Bereidt voor, zet activiteiten met betrekking tot het

aandachtsgebied op en is verantwoordelijk voor het behalen van het resultaat.’ en ‘Meer

beheersmatige verantwoordelijkheden’;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van

2 februari 2015;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellant van vergoeding van schade tot een

bedrag van € 1.000,-;

- veroordeelt verweerder in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.984,-.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en K.J. Kraan en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) A. Mansourova

HD