Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3108

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2016
Datum publicatie
19-08-2016
Zaaknummer
15/2946 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang meer omdat aan appellante tegemoet is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2946 WSF

Datum uitspraak: 18 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
27 maart 2015, 14/11105 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. Y. Tamer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister heeft op 10 december 2015 een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2016. Appellante is, met bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 28 oktober 2014 (bestreden besluit) waarbij de minister, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 11 augustus 2014 heeft gehandhaafd. Bij dat besluit is afgewezen het verzoek van appellante van 11 juli 2014 om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar moeder (verzoek om loskoppeling), op de grond dat geen sprake is van het ontzetten uit of het ontheffen van het ouderlijk gezag van de moeder als bedoeld in de artikelen 3.14 van de Wet studiefinanciering 2000 en 6, eerste lid, aanhef en onder b, en 8 van het Besluit studiefinanciering 2000.

1.2.

Appellante is tegen de aangevallen uitspraak in hoger beroep gegaan.

2. Appellante heeft op 4 november 2015 een nieuw verzoek om loskoppeling bij de minister ingediend op de grond dat haar moeder onvindbaar is. Bij besluit van 10 december 2015 heeft de minister dit verzoek toegewezen met ingang van 1 oktober 2014. Vanaf deze datum wordt bij de berekening van de aanvullende beurs van appellante geen rekening gehouden met het inkomen van haar moeder.

3. Bij brief van 20 juni 2016 is namens appellante aan de Raad bericht dat de minister haar alsnog met terugwerkende kracht een aanvullende beurs heeft verleend en dat zij aanspraak maakt op een veroordeling van de minister in de kosten van rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep.

4.1.

De Raad begrijpt de in 3 bedoelde brief zo dat appellante van opvatting is dat zij geen procesbelang meer heeft omdat aan haar tegemoet is gekomen en dat zij verzoekt een proceskostenveroordeling uit te spreken.

4.2.

De Raad deelt de opvatting van appellante dat er geen sprake is van procesbelang. Appellante kan met deze procedure niet meer bereiken dan ze inmiddels heeft bereikt. Het hoger beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.3.

Voor toekenning van een proceskostenveroordeling bestaat geen grond. Bij het besluit van 10 december 2015 heeft de minister weliswaar een aanvullende beurs verstrekt, maar is hij niet tegemoetgekomen aan appellante als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht. Dit besluit is genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag om loskoppeling op een gewijzigde grondslag.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2016.

(getekend) J. Brand

(getekend) R.I. Troelstra

SS