Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3105

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2016
Datum publicatie
22-08-2016
Zaaknummer
14/5547 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzen aanvraag. Bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust in beginsel op de aanvrager, ook na een lange periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/172

Uitspraak

14/5547 WWB

Datum uitspraak: 15 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

8 september 2014, 13/6608 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 15 december 2015 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2015:4541, gedaan (tussenuitspraak).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college bij brief van 24 februari 2016 een rapport van 22 februari 2016 ingebracht en te kennen gegeven dat hij het besluit van

29 november 2013 (bestreden besluit) handhaaft.

Namens appellante heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat, bij brief van 9 maart 2016 haar zienswijze gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2016. Namens appellante is verschenen mr. Gloudi. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.H. Vossebeld.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar de tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten en omstandigheden waarvan hij bij zijn beoordeling uitgaat. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

In de tussenuitspraak heeft de Raad, kort samengevat, geoordeeld dat het rapport van

4 juli 2013, dat waarnemingen bij de woning van appellante bevat, net als het rapport van

3 juli 2013, dat de bevindingen van het huisbezoek bevat, door zowel een medewerker van het college als een medewerker van SV Land is opgesteld. Omdat het college zich op het standpunt stelde dat het rapport van 3 juli 2013 om die reden niet aan het bestreden besluit ten grondslag kon worden gelegd, kon dat niet anders dan eveneens voor het rapport van 4 juli 2013 gelden. Het bestreden besluit was daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet draagkrachtig gemotiveerd ter onderbouwing van het standpunt van het college dat appellante feitelijk niet haar hoofdverblijf heeft op het bij de aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) opgegeven adres. Omdat de Raad niet zelf kon bepalen of appellante in de periode van 31 januari 2013 tot en met 3 juli 2013 (te beoordelen periode) recht heeft op bijstand en zo ja, naar welke norm, omdat daartoe de gegevens over de woon- en leefsituatie van appellante ontbraken, heeft de Raad het college opgedragen het geconstateerde gebrek te herstellen.

1.2.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college nader onderzoek gedaan. Bij brief van 26 januari 2016 heeft het college appellante uitgenodigd voor een gesprek op 1 februari 2016 met medeneming van de in die brief genoemde gegevens. Het ging daarbij onder meer om bankafschriften van alle bankrekeningen van appellante over de te beoordelen periode, een vrijwaringsbewijs van de auto die appellante eerder op haar naam had staan, de aankoopnota van de auto, de polis en beëindigingsgegevens van de verzekering van de auto, alsmede bewijsstukken van de huurbetalingen over de te beoordelen periode. Appellante heeft op 1 februari 2016 telefonisch aan het college medegedeeld dat zij in verband met haar medische omstandigheden niet op het gesprek komt. Bij brief van 1 februari 2016 heeft het college appellante uitgenodigd voor een gesprek op 8 februari 2016 met medeneming van onder meer de eerder gevraagde gegevens. Appellante is op 8 februari 2016 verschenen en heeft een aantal van de gevraagde gegevens overgelegd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 22 februari 2016. Het college heeft medegedeeld dat deze onderzoeksresultaten de nieuwe grondslag vormen van het bestreden besluit en dat het college het bestreden besluit handhaaft. De besluitvorming berust thans op de grondslag dat appellante, door niet alle gevraagde gegevens te verstrekken, de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate appellante in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

2. In haar zienswijze heeft appellante aangevoerd dat het college in redelijkheid niet van appellante kan verlangen dat zij informatie verstrekt over een periode die vier jaar eerder ligt, terwijl de ontstane situatie is veroorzaakt door het college omdat het college destijds een overeenkomst met SV Land is aangegaan. De omstandigheid dat appellante niet alle gevraagde gegevens kan overleggen mag daarom niet voor haar risico komen. Verder was de termijn waarbinnen de gevraagde gegevens moesten worden overgelegd veel te kort. Appellante heeft voor haar medische situatie verwezen naar een verklaring van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en psychiater, beiden werkzaam bij GGZ Centraal Meerzicht van 25 juni 2013, en deze verklaring overgelegd.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient onder meer duidelijkheid te verschaffen over zijn financiële situatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag.

3.2.

Vaststaat dat appellante, ondanks een verzoek daartoe, over de periode van 31 januari 2012 tot en met 30 november 2012 en 24 februari 2013 tot en met 27 februari 2013 geen bankafschriften heeft overgelegd. Appellante heeft evenmin de aankoopnota, de polis en de beëindigingsgegevens van de verzekering van de auto overgelegd, die van 25 september 2010 tot 9 juli 2012 op haar naam heeft gestaan. Anders dan appellante aanvoert, mocht het college van haar ook na vier jaar nog verlangen dat zij deze gegevens over zou leggen. De omstandigheid dat de afwijzing van haar aanvraag in eerste instantie was gebaseerd op een rapport van SV Land over haar woon- en leefsituatie, ontslaat appellante niet van de onder 3.1 vermelde bewijslast. Dat aan het opvragen van bankafschriften na lange tijd kosten zijn verbonden, komt voor risico van appellante. Verder heeft appellante haar standpunt dat zij de gevraagde stukken niet kon overleggen niet met verifieerbare stukken onderbouwd. Uit de door appellante overgelegde verklaring van haar sociaal psychiatrisch verpleegkundige en psychiater kan in ieder geval niet worden opgemaakt dat zij, al dan niet met hulp van derden, niet in staat was de gevraagde gegevens te verstrekken. De beroepsgrond dat het college appellante een te korte termijn heeft gesteld om de gevraagde gegevens te verstrekken, slaagt evenmin, reeds omdat zij de gegevens ook nog na die termijn bij de Raad over had kunnen leggen.

3.3.

De beroepsgrond dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld, omdat over de te beoordelen periode bankafschriften aanwezig zijn, slaagt niet. Het college mocht over een langere periode voorafgaand aan de aanvraag bankafschriften opvragen, omdat appellante sinds oktober 2011 geen inkomsten had, terwijl zij geen betalingsachterstanden had en in het bezit was van een auto. De ontbrekende bankafschriften en de gegevens die zien op de auto zijn onmiskenbaar van belang voor de beoordeling van het recht op bijstand. Door deze gegevens niet te verstrekken heeft appellante gehandeld in strijd met de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de WWB en kan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet worden vastgesteld. De overige beroepsgronden kunnen daarom onbesproken blijven.

3.4.

Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen en geoordeeld, zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de

artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op wat is overwogen in 3.1 tot en met 3.3 zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven.

4. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en op € 1.240,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.232,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 29 november 2013;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 29 november 2013 geheel in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 2.232,-;

- bepaalt dat het college het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) A. Stuut

HD