Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3093

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2016
Datum publicatie
18-08-2016
Zaaknummer
15/6349 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 26 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3803) heeft overwogen mag ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling als betrokkene van de opvang in een VBL gebruik kan maken, dat de opvang in een VBL in het algemeen aangemerkt kan worden als een voldoende voorziening in het bieden van opvang en dat met plaatsing in een VBL voldoende invulling wordt gegeven aan de uit het internationaal recht voortvloeiende positieve verplichting opvang te bieden. Daarmee is de opvang in een VBL een aan de Wmo voorliggende voorziening die de noodzaak van opvang op grond van die wet wegneemt. Tegen het niet toelaten tot de opvang in de VBL is beroep bij de vreemdelingenrechter mogelijk en het is uiteindelijk aan de Afdeling om over de rechtmatigheid van een dergelijke weigering te oordelen. De voorwaarde van medewerking aan vertrek doet niet af aan de feitelijke beschikbaarheid van de VBL. De beoordeling van de rechtmatigheid van de gestelde voorwaarde is voorbehouden aan de staatssecretaris en - in hoger beroep - uiteindelijk aan de Afdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/307
JWWB 2016/218
RSV 2016/185

Uitspraak

15/6349 WMO, 15/6887 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2014, 14/4500 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. J. Sprakel advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 15/6521 WMO, 15/7005 WMO, 15/6700 WMO, 15/6964 WMO, 15/7068 WMO en 15/7266 WMO, plaatsgevonden op 7 juli 2016. Namens betrokkene is verschenen mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van mr. Sprakel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T. ’t Jong. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.

1.2.

Op 6 januari 2014 heeft betrokkene bezwaar gemaakt tegen de beslissing hem niet toe te laten tot de opvang in de Vluchthaven.

1.3.

Het college heeft het bezwaarschrift van 6 januari 2014 aangemerkt als aanvraag om opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en deze aanvraag bij besluit van 31 maart 2014 afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 16 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het college de weigering om aan betrokkene opvang als bedoeld in de Wmo te verlenen gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 31 maart 2014 herroepen en bepaald dat betrokkene recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo overeenkomstig de bed-bad-broodvoorziening. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar haar uitspraak van 8 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2651, overwogen dat meerderjarige vreemdelingen zonder geldige verblijfsstatus, zoals betrokkene, een onvoorwaardelijk recht hebben op onderdak, voedsel en kleding en dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) niet als voorliggende voorziening kan worden aangemerkt.

3.1.

Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij in de periode in geding die loopt van 29 november 2013 tot 16 juli 2014 naast opvang ook recht heeft op leefgeld of een uitkering. De VBL kan niet worden aangemerkt als een voorziening die voorliggend is op opvang op grond van de Wmo nu inmiddels is gebleken dat veel vreemdelingen zoals betrokkene niet tot de VBL worden toegelaten. Betrokkene stelt voorts dat in zijn geval de voorwaarde mee te werken aan vertrek uit Nederland niet gesteld kan worden.

3.2.

Het college heeft in hoger beroep aangevoerd dat de noodzaak voor opvang op grond van de Wmo ontbrak nu betrokkene van opvang in een VBL gebruik kon maken. Verder is aangevoerd dat de vanaf 15 december 2014 aangeboden sobere bed-bad-broodvoorziening geen maatschappelijke opvang is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmo en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat betrokkene recht had op deze voorziening ook vóór de voorlopige voorzieningen van de voorzieningenrechter van de Raad van 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4259, ECLI:NL:CRVB:2014:4178 en ECLI:NL:CRVB:2014:4179.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek dat betrokkene tijdens de zitting heeft gedaan om het hoger beroep ter verdere afdoening door te sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) moet worden afgewezen, omdat op grond van artikel 8:105 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 10 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak niet de Afdeling, maar de Raad bevoegd is om te oordelen over geschillen op grond van de Wmo. De uitspraak van de Raad van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3834 maakt dit niet anders, omdat hetgeen daarin is overwogen over de (wettelijke grondslag van) opvangvoorzieningen die berusten op gemeentelijk beleid en de daaruit voortvloeiende bevoegdheidswijziging slechts gevolgen heeft voor primaire besluiten vanaf 1 januari 2015. Daarvan is in deze zaak geen sprake.

4.2.

Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.2 van de uitspraak van de Raad van

17 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3096 begrijpt de Raad het bestreden besluit aldus dat is beslist op zowel het bezwaar van 6 januari 2014 als op het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2014, in die zin dat betrokkene vanaf 29 november 2013 geen recht had op opvang op grond van de Wmo.

4.3.

De beroepsgrond van het college dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat opvang in een VBL geen voorliggende voorziening kan zijn die de noodzaak van Wmo‑opvang doet vervallen slaagt. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803, heeft overwogen mag ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling als betrokkene van de opvang in een VBL gebruik kan maken, dat de opvang in een VBL in het algemeen aangemerkt kan worden als een voldoende voorziening in het bieden van opvang en dat met plaatsing in een VBL voldoende invulling wordt gegeven aan de uit het internationaal recht voortvloeiende positieve verplichting opvang te bieden. Daarmee is de opvang in een VBL een aan de Wmo voorliggende voorziening die de noodzaak van opvang op grond van die wet wegneemt.

4.4.

Dat vreemdelingen zoals betrokkene zich bij de VBL hebben gemeld en daarbij, ondanks dat zij zich bereid hebben verklaard te willen meewerken aan vertrek, niet worden toegelaten, leidt de Raad, evenals het antwoord van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) van 22 juni 2016 op de naar aanleiding hiervan door leden van de Tweede Kamer gestelde vragen, niet tot een ander oordeel. Daartoe overweegt de Raad dat tegen het niet toelaten tot de opvang in de VBL beroep bij de vreemdelingenrechter mogelijk is en dat het uiteindelijk aan de Afdeling is om over de rechtmatigheid van een dergelijke weigering te oordelen. De beroepsgrond van betrokkene dat opvang in een VBL van hem niet kan worden gevergd, omdat de daaraan verbonden voorwaarde van medewerking aan vertrek in zijn bijzondere omstandigheden onrechtmatig is, leidt evenmin tot een ander oordeel. Deze voorwaarde doet immers niet af aan de feitelijke beschikbaarheid van de VBL. De beoordeling van de rechtmatigheid van de gestelde voorwaarde is voorbehouden aan de staatssecretaris en – in hoger beroep – uiteindelijk aan de Afdeling.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van het college slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Aan een beoordeling van de andere gronden van de hoger beroepen van het college en betrokkene wordt niet toegekomen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2016.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) M.S.E.S. Umans

TM