Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3081

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2016
Datum publicatie
18-08-2016
Zaaknummer
15/1736 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft geen benadelingshandeling als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, van de WW gepleegd. Het Uwv was dan ook niet bevoegd om appellant op die grond een maatregel op te leggen. Vernietiging uitspraak. De Raad zal het besluit van 14 januari 2014 herroepen voor zover daarbij is beslist dat de WW-uitkering tot 1 februari 2014 niet tot uitbetaling komt, bepalen dat appellant vanaf 1 januari 2014 recht heeft op uitbetaling van zijn WW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1736 WW

Datum uitspraak: 17 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 januari 2015, 14/5179 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft appellant nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klinkert. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft van 1 november 2010 tot 1 mei 2011 gewerkt in dienst van [naam B.V. 1] ( [B.V. 1] ) op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Van 1 mei 2011 tot 1 juli 2011 heeft hij voor [B.V. 1] gewerkt via uitzendonderneming [uitzendonderneming 1] . op basis van een uitzendovereenkomst fase A met uitzendbeding. Van 1 juli 2011 tot 1 november 2013 heeft appellant weer gewerkt in dienst van [B.V. 1] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Van 1 november 2013 tot 1 januari 2014 heeft hij voor [B.V. 1] gewerkt via uitzendonderneming [uitzendonderneming 2] op basis van een uitzendovereenkomst met als opschrift fase A zonder uitzendbeding. Appellant heeft van 1 november 2010 tot 1 januari 2014 steeds dezelfde werkzaamheden als chauffeur verricht voor [B.V. 1] .

1.2.

Bij besluit van 14 januari 2014 heeft het Uwv appellant met ingang van 1 januari 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend, maar daarbij is besloten dat deze uitkering pas vanaf 1 februari 2014 tot uitbetaling komt. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat het dienstverband per 1 januari 2014 is geëindigd, maar dat de werkgever geen rekening heeft gehouden met een opzegtermijn die zou lopen tot en met

31 januari 2014. Omdat appellant hiertegen niet heeft geprotesteerd en ook geen schadevergoeding heeft geëist, heeft hij volgens het Uwv een benadelingshandeling gepleegd. Om die reden heeft het Uwv de WW-uitkering tot 1 februari 2014 geheel geweigerd.

1.3.

Bij besluit van 21 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 14 januari 2014 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv, kort samengevat, overwogen dat de opzegtermijn van de werkgever op grond van de artikelen

15 en 17 van de CAO voor uitzendkrachten 2012-2017 (ABU-CAO) één maand bedraagt.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

2.2.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv in zijn verweerschrift zijn standpunt heeft gewijzigd en nu van mening is dat de opzegtermijn van één maand rechtstreeks voortvloeit uit de wet, te weten artikel 7:672, tweede lid, aanhef en onder a,van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit dit gewijzigde standpunt van het Uwv voort dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek dat dermate ernstig is dat het niet kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

2.3.

De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden

besluit in stand gelaten omdat de werkgevers als elkaars opvolgers kunnen worden beschouwd en de laatste overeenkomst op grond van artikel 7:668a van het BW een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was, die met inachtneming van een opzegtermijn van één maand had moeten worden beëindigd. Niet gebleken is dat appellant de werkgever niet aan de voor hem geldende opzegtermijn kon of mocht houden. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat het Uwv terecht heeft gesteld dat appellant het Algemeen Werkloosheidsfonds heeft benadeeld en op goede gronden de maatregel heeft opgelegd van een gehele weigering van de WW-uitkering over de periode dat de dienstbetrekking had kunnen voortduren, te weten één maand.

3.1.

Het hoger beroep van appellant is gericht tegen het oordeel van de rechtbank waarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank bestreden dat de laatste overeenkomst voor onbepaalde tijd was. Volgens appellant moeten de door de uitzendkracht bij de vorige werkgever gewerkte perioden, indien sprake is van opvolgend werkgeverschap, worden ingepast in het zogeheten fasensysteem van de ABU-CAO. Indien het arbeidsverleden van appellant wordt ingepast in dit fasensysteem, dan betekent dit volgens appellant dat hij gedurende de periode van

1 november 2010 tot 1 mei 2012 in fase A zat en per 1 mei 2012 in fase B kwam welke fase duurde tot 1 mei 2014. Het uitzendbureau was daarom, gelet op artikel 13, tweede lid, van de ABU-CAO, gerechtigd om appellant een detacheringsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te bieden, die per 1 januari 2014 van rechtswege is geëindigd. Appellant heeft geen benadelingshandeling gepleegd door geen aanspraak te maken op een opzegtermijn van een maand, omdat hij niet in aanmerking kwam voor een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

3.2.

In het verweerschrift heeft het Uwv gesteld dat er materieel geen verschil is in uitkomst tussen de aangevallen uitspraak en hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd. Indien er sprake zou zijn van een detacheringsovereenkomst fase B welke op 1 mei 2012 was aangevangen en zou duren tot 1 mei 2014, zou er volgens het Uwv op grond van artikel 15, eerste lid en tweede lid, onder b, van de ABU-CAO eveneens een opzegtermijn van één maand van kracht zijn geweest.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde bepalingen wordt verwezen naar rechtsoverweging 4 van de aangevallen uitspraak. Daaraan worden de volgende bepalingen toegevoegd.

Artikel 7:691 BW

(...)

7. Van de termijnen bedoeld in de leden 1, 3 en 4 en van lid 5 kan slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele van de werknemer.

Artikel 13 ABU-CAO: Uitzendfasen

1. Fase A

a. De uitzendkracht is werkzaam in fase A zolang deze nog niet in meer dan 78 weken voor dezelfde uitzendonderneming heeft gewerkt.

b. Fase A duurt 78 gewerkte weken. De uitzendkracht is niet werkzaam in fase B (..) zolang nog niet meer dan 78 weken is gewerkt voor dezelfde uitzendonderneming.

c. In fase A is de uitzendkracht steeds werkzaam op basis van een uitzendovereenkomst met uitzendbeding, tenzij uitdrukkelijk een detacheringsovereenkomst is overeengekomen.

(…)

2. Fase B

a. De uitzendkracht is werkzaam in fase B zodra de uitzendovereenkomst na voltooiing van fase A wordt voortgezet, of als binnen 26 weken na voltooiing van fase A een nieuwe uitzendovereenkomst met dezelfde uitzendonderneming wordt aangegaan.

b. Fase B duurt twee jaar. De uitzendkracht is niet werkzaam in fase C (…) zolang niet meer dan twee jaar is gewerkt in fase B en/of niet meer dan acht detacheringsovereenkomsten voor bepaalde tijd in fase B zijn overeengekomen met dezelfde uitzendonderneming.

c. In fase B is de uitzendkracht steeds werkzaam op basis van een detacheringsovereenkomst voor bepaalde tijd, tenzij uitdrukkelijk een detacheringsovereenkomst voor onbepaalde tijd is overeengekomen.

(…)

3. Fase C

a. De uitzendkracht is werkzaam in fase C zodra de detacheringsovereenkomst na voltooiing van fase B wordt voortgezet, of als binnen dertien weken na voltooiing van fase B een nieuwe detacheringsovereenkomst met dezelfde uitzendonderneming wordt aangegaan.

b. In fase C is de uitzendkracht steeds werkzaam op basis van een detacheringsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

(…)

Artikel 15 ABU-CAO: Beëindiging van de detacheringsovereenkomst

1. De detacheringsovereenkomst voor bepaalde tijd kan te allen tijde door de uitzendkracht en door de uitzendonderneming tussentijds worden opgezegd tegen de eerstvolgende werkdag, met inachtneming van de hierna in lid 2 vermelde opzegtermijnen, tenzij tussentijdse opzegging uitdrukkelijk schriftelijk in de detacheringsovereenkomst is uitgesloten. Uitsluiting van tussentijdse opzegging is slechts mogelijk indien de detacheringsovereenkomst is aangegaan voor de duur van drie maanden of langer.

2. a….

b. Voor de uitzendonderneming bedraagt de in lid 1 van dit artikel bedoelde opzegtermijn één maand.

Artikel 17 ABU-CAO: Opvolgend werkgeverschap, rechtspositie en beloning

1. Onder opvolgend werkgeverschap dient te worden verstaan de situatie waarbij de uitzendkracht in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die redelijkerwijze geacht moeten worden ten aanzien van de verrichte arbeid elkaars opvolger te zijn.

(…)

3. De uitzendonderneming die aangemerkt moet worden als opvolgend werkgever, dient bij het bepalen van de rechtspositie van de uitzendkracht rekening te houden met het relevante arbeidsverleden van die uitzendkracht bij de vorige werkgever(s). Onder relevant arbeidsverleden wordt het aantal weken / de periode verstaan waarin de uitzendkracht bij de vorige werkgever in redelijkheid dezelfde of nagenoeg dezelfde arbeid heeft verricht.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat sprake is geweest van opvolgend werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:691, vijfde lid, van het BW en artikel 17, eerste lid, van de ABU-CAO. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de laatste overeenkomst met [uitzendonderneming 2] een overeenkomst voor onbepaalde tijd was welke niet van rechtswege eindigde maar door de werkgever had moeten worden opgezegd. Bij de beantwoording van die vraag heeft de rechtbank ten onrechte de relevante bepalingen uit de toepasselijke ABU-CAO buiten beschouwing gelaten.

4.3.

Op grond van artikel 17, derde lid, van de ABU-CAO dient [uitzendonderneming 2] , als opvolgend werkgever, bij het bepalen van de rechtspositie van appellant rekening te houden met het relevante arbeidsverleden van appellant bij zijn vorige werkgevers. Dit betekent dat de bij de vorige werkgevers gewerkte perioden moeten worden ingepast in het zogeheten fasensysteem zoals omschreven in artikel 13 van de ABU-CAO. In de toelichting op

artikel 17 van ABU-cao is het inpassen van het arbeidsverleden van de werknemer in het fasesysteem nader uiteengezet

4.4.

Indien het arbeidsverleden van appellant wordt ingepast in dit fasensysteem, betekent dit dat hij van 1 november 2010 tot 1 mei 2012 werkzaam was in fase A en van 1 mei 2012 tot

1 mei 2014 in fase B. Hieruit volgt dat, ofschoon appellant en [uitzendonderneming 2] hun overeenkomst hebben benoemd als een uitzendovereenkomst fase A, appellant bij zijn laatste werkgever werkzaam is geweest op basis van een detacheringsovereenkomst voor bepaalde tijd. Deze overeenkomst is per 1 januari 2014 van rechtswege geëindigd door het verstrijken van de overeengekomen duur.

4.5.

Het Uwv wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat er materieel geen verschil in uitkomst is tussen het oordeel van de rechtbank en het standpunt van appellant in hoger beroep omdat, indien sprake zou zijn van een detacheringsovereenkomst fase B welke op 1 mei 2012 was aangevangen en zou duren tot 1 mei 2014, op grond van artikel 15, tweede lid, onder b, van de ABU-CAO eveneens een opzegtermijn van één maand van kracht zou zijn geweest.

Artikel 15, eerste en tweede lid, van de ABU-CAO hebben betrekking op situaties waarbij een detacheringsovereenkomst voor bepaalde tijd tussentijds wordt opgezegd. In het geval van appellant is daarvan geen sprake geweest. De overeenkomst tussen appellant en [uitzendonderneming 2] is, zoals in 4.4 is overwogen, per 1 januari 2014 van rechtswege geëindigd door het verstrijken van de overeengekomen tijd. Daaraan doet niet af dat fase B liep tot 1 mei 2014.

4.6.

Uit wat in 4.1 tot 4.5 is overwogen volgt dat appellant geen benadelingshandeling als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, van de WW heeft gepleegd. Het Uwv was dan ook niet bevoegd om appellant op die grond een maatregel op te leggen.

4.7.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover aangevochten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van

14 januari 2014 herroepen voor zover daarbij is beslist dat de WW-uitkering tot

1 februari 2014 niet tot uitbetaling komt, bepalen dat appellant vanaf 1 januari 2014 recht heeft op uitbetaling van zijn WW-uitkering en bepalen dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de aangevallen uitspraak.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 992,-, aan kosten voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    herroept het besluit van 14 januari 2014 voor zover daarbij is beslist dat de WW-uitkering tot 1 februari 2014 niet tot uitbetaling komt;

  • -

    bepaalt dat appellant vanaf 1 januari 2014 recht heeft op uitbetaling van zijn WW-uitkering en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 992,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2016.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) J.C. Borman

NK