Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3076

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2016
Datum publicatie
18-08-2016
Zaaknummer
14/6289 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet terug komen van een besluit van 5 oktober 2011 omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/6289 WAJONG

Datum uitspraak: 17 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
13 oktober 2014, 14/1049 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.E. Siebenga-Moggré, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft op vragen van de Raad een reactie ingezonden en daarbij een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 december 2015 ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Siebenga-Moggré. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant is met ingang van 1 december 1986 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend omdat hij toen hij 18 jaar werd arbeidsongeschikt was en gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest. In 1995 heeft een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant plaatsgevonden. Bij besluit van 3 mei 1995 heeft (een rechtsvoorganger van) het Uwv de uitkering van appellant per 1 juli 1995 ingetrokken omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Appellant heeft op 29 maart 1999 een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend. Appellant is naar aanleiding van zijn aanvraag onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 28 juni 1999 vermeld dat de belastbaarheid van appellant gelijk is aan de belastbaarheid zoals vastgesteld in juli 1995. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 24 november 1999 vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt in de zin van de Wajong 1998 is te beschouwen. Tegen dit besluit zijn eveneens geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Appellant heeft op 7 september 2011 opnieuw een aanvraag ingediend voor een

Wajong-uitkering. Deze aanvraag is door het Uwv opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 24 november 1999. In verband met deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv het dossier bestudeerd en in zijn rapport van 27 september 2011 te kennen gegeven dat er geen nieuwe medische feiten door appellant worden genoemd die niet eerder zouden zijn onderkend.

1.4.

Bij besluit van 5 oktober 2011 heeft het Uwv besloten niet terug te komen van het besluit van 24 november 1999 omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die er toe leiden dat dit besluit onjuist is. Het tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 8 december 2011 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.5.

Appellant heeft op 2 januari 2014 opnieuw een aanvraag ingediend voor een
Wajong-uitkering. Ter onderbouwing van deze aanvraag heeft appellant medische informatie van onder meer zijn behandelend radioloog G.J. Waldman, die uitgebreide deformatie van de heupkoppen bij appellant vaststelde, ingediend. Deze aanvraag is door het Uwv opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 5 oktober 2011. In verband met deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv het dossier bestudeerd en in zijn rapport van 21 januari 2014 te kennen gegeven dat bij de aanvraag geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn vermeld op basis waarvan tot het opstarten van een nieuw medisch onderzoek overgegaan zou moeten worden.

1.6.

Bij besluit van 23 januari 2014 heeft het Uwv besloten niet terug te komen van het besluit van 5 oktober 2011 omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die er toe leiden dat dit besluit onjuist is.

1.7.

Bij beslissing op bezwaar van 25 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 januari 2014 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant betoogt in hoger beroep dat de oordelen van de rechtbank elkaar tegenspreken en onbegrijpelijk zijn. Enerzijds zou geen sprake zijn van nieuw gebleken feiten, anderzijds volgt de rechtbank het oordeel van de verzekeringsarts dat de recent vastgestelde afwijkingen van de heupen wel een nieuw medisch feit vormt. Appellant meent voorts dat de door de verzekeringsarts als nieuwe feiten erkende afwijkingen voor zijn 18e levensjaar zijn ontstaan, althans in direct verband staan met de hypofyse-afwijking, waaraan appellant sinds zijn geboorte lijdt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant informatie van de behandelend orthopedisch chirurg dr. H.B. Ettema van 25 juli 2014 overgelegd. Appellant verzoekt de Raad een onafhankelijk deskundige in te schakelen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. In een rapport van
15 december 2015 geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen dat de informatie van de orthopeed geen medische feiten of inzichten bevat, die tot een ander oordeel ten aanzien van het recht van appellant op een Wajong-uitkering kunnen leiden. Voorts geeft deze arts te kennen dat, ook al zou de nu geconstateerde heupafwijking causaal verband houden met de groeistoornis van appellant in het verleden, de daarmee gepaard gaande beperkingen per einde wachttijd geldende voor de Wajong (de Raad begrijpt de AAW) niet aanwezig waren. Met verwijzing naar dit rapport stelt het Uwv zich op het standpunt dat de in 2013 geconstateerde heupafwijking geen ander licht werpt op de op 17e/18e jaar en in 1995 aangenomen beperkingen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Een bestuursorgaan is bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van dezelfde strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit in beginsel niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Bij een doorlopende (periodieke) aanspraak als hier aan de orde, moet voor de toetsing een splitsing worden aangebracht. Wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraag dient de bestuursrechter zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd. Voor de periode na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toetsing plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen.

Een aanvraag voor een uitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering moet naar zijn strekking worden beoordeeld. Zie ook de uitspraak van
14 januari 2015 (ECLI:NLCRvB:2015:1).

4.2.

Ter zitting van de Raad is door appellant betoogd dat zijn aanvraag van 2 januari 2014 ertoe strekt een Wajong-uitkering per die datum te verkrijgen.

4.3.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant bij zijn aanvraag van 2 januari 2014 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het bijzonder zijn er geen nieuwe medische feiten over de gezondheidssituatie van appellant op en na zijn 17ᵉ verjaardag en in 1995 naar voren gebracht. De namens appellant in beroep en hoger beroep overgelegde informatie ziet evenmin op deze perioden, en dient buiten beschouwing te worden gelaten bij de vraag of zich nieuwe feiten of veranderde omstandigheden voordoen die zien op de gezondheidstoestand van appellant op zeventienjarige leeftijd en per 1 juli 1995 (zie onder andere de uitspraak van de Raad van 3 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2191).

4.4.

De Raad is met het Uwv van oordeel dat in het dossier geen medische informatie voorhanden is waaruit blijkt dat de arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak in de periode 1 juli 1995 tot 1 juli 2000 is toegenomen. Daarbij wordt in aanmerking gekomen dat op 28 juni 1999 door een verzekeringsarts is geconcludeerd dat er geen verandering is vastgesteld in de belastbaarheid van appellant ten opzichte van 1995. Voorts blijkt uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken dat appellant vanaf 1998/1999 samen met zijn broer werkzaamheden in een eigen bedrijf heeft verricht, tot dat bedrijf in augustus 2011 failliet is gegaan, hetgeen evenmin wijst op toegenomen arbeidsongeschiktheid in genoemde periode.

4.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 15 december 2015 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat de informatie die appellant heeft overgelegd geen medisch objectiveerbare feiten en omstandigheden bevat en die tot andere beperkingen zouden leiden dan eerder zijn vastgesteld. Terecht heeft het Uwv geen aanleiding gezien alsnog tot een ander, voor appellant gunstiger besluit te komen.

4.6.

Het Uwv heeft de aanvraag van 2 januari 2014 dan ook kunnen afwijzen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv aldus van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J.S. van der Kolk en
F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2016.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. Veenstra

SS