Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3069

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
22-08-2016
Zaaknummer
15/2507 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoeksbevoegdheid college. Vermoeden fraude onvoldoende concreet gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Datum uitspraak: 16 augustus 2016

15/2507 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

23 maart 2015, 14/4203 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Winsum (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016. Namens appellant is verschenen mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.P. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 20 juli 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand heeft de dienst Sociale Zaken en Werk Bedum, De Marne & Winsum (dienst SZW) bij brief van 30 augustus 2013 appellant uitgenodigd voor een gesprek op 5 september 2013. Daarbij heeft de dienst SZW appellant verzocht om onder meer de bankafschriften van de laatste zes maanden van alle bankrekeningen waarover hij de beschikking heeft, mee te nemen. Appellant is zonder bericht niet verschenen op dit gesprek.

1.3.

Het college heeft bij besluit van 5 september 2013 het recht op bijstand met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB met ingang van die datum opgeschort op de grond dat appellant niet is verschenen op het gesprek op die dag. Het college heeft appellant in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen door te komen op een nieuwe afspraak op

12 september 2013 en alle bij de brief van 30 augustus 2013 gevraagde gegevens alsnog over te leggen. Appellant heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.4.

Het college heeft appellant opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 30 september 2013. Naar deze afspraak is appellant niet gekomen. Hij heeft bij de balie van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Winsum een bericht achtergelaten dat hij niet kon komen omdat hij de bewijsstukken niet kon verstrekken. Vervolgens heeft het college appellant bij brief van

1 oktober 2013 uitgenodigd voor een gesprek op 10 oktober 2013. Ook naar deze afspraak is appellant zonder bericht niet gekomen.

1.5.

Bij besluit van 8 januari 2014 heeft het college met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 20 juli 2012 op de grond dat hij zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

1.6.

Bij besluit van 12 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard ten aanzien van de intrekking van de bijstand over de periode van 20 juli 2013 tot en met 4 september 2013 en ongegrond verklaard ten aanzien van de intrekking van de bijstand per 5 september 2013.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Het is volkomen onduidelijk waarom een onderzoek is ingesteld naar appellant en daarom kan ook niet beoordeeld worden of het terecht is geweest dat hij is uitgenodigd voor een gesprek in het kader van het onderzoek naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Bij een reguliere controle is het niet gebruikelijk naar bankafschriften te vragen over een langere periode dan drie maanden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft bij het bestreden besluit de intrekking van de bijstand met ingang van

5 september 2013 gehandhaafd, zonder een uitdrukkelijke vermelding van de wettelijke grondslag.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college bij het bestreden besluit de bijstand heeft ingetrokken met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB. Het college heeft reeds bij het intrekkingsbesluit van 8 januari 2014 de bijstand ingetrokken met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB. Dat het college bij het bestreden besluit de intrekking van de bijstand alleen heeft gehandhaafd voor zover het de termijn betreft die begint op de datum met ingang waarvan het recht op bijstand was opgeschort, maakt niet dat daarmee het besluit gebaseerd is op de grondslag van artikel 54, vierde lid, van de WWB.

4.3.

Ter beoordeling ligt voor of de intrekking van de bijstand ingaande 5 september 2013 op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

4.4.

De te beoordelen periode loopt van 5 september 2013 tot en met 8 januari 2014, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.5.

Het college heeft de intrekking van de bijstand uitsluitend gebaseerd op de vaststelling dat appellant door niet te verschijnen op gesprek en geen bankafschriften over een periode van zes maanden over te leggen, de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB niet of niet voldoende is nagekomen.

4.6.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 31 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2333), is het bijstandverlenend orgaan gerechtigd een gericht onderzoek te doen, indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door de betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen en op basis daarvan twijfel bestaat over de rechtmatigheid van de verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek kan het bijstandverlenend orgaan van de betrokkene zo nodig inzage verlangen in de bankafschriften over een verder in het verleden liggende periode dan de laatste drie maanden.

4.7.

Het college heeft desgevraagd medegedeeld dat de aanleiding van de uitnodiging van appellant een vermoeden van sociale zekerheidsfraude was. Het college heeft echter niet uitgesproken wat dit vermoeden concreet inhield. Het is daarom niet mogelijk om te beoordelen of sprake was van twijfel als bedoeld in 4.6, zodat het ervoor dient te worden gehouden dat geen concrete feiten en omstandigheden als bedoeld in 4.6 aanwezig waren. Aldus bestond geen aanleiding om bankafschriften over zes maanden te verzoeken. Resteert het niet verschijnen van appellant op de uitnodigingen. Dit niet verschijnen is onvoldoende om te concluderen dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in

artikel 17, eerste lid, van de WWB niet of niet voldoende is nagekomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gericht tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.8.

Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Het besluit van 8 januari 2014 zal worden herroepen, omdat dit besluit op dezelfde onhoudbare grondslag berust en het college, zoals het ter zitting heeft verklaard, geen mogelijkheid ziet dit gebrek in het onderzoek te herstellen.

4.9.

Appellant heeft verzocht om vergoeding van zijn schade. Op het verzoek om schadevergoeding is de wettelijke rente toewijsbaar over de na te betalen bijstand. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

5. Ten slotte bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.984,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 augustus 2014;

- herroept het besluit van 8 januari 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van het vernietigde besluit van 14 augustus 2014;

- veroordeelt het college tot vergoeding aan appellant van wettelijke rente over de na te

betalen bijstand, zoals onder 4.9 van deze uitspraak is vermeld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.984;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en A. Stehouwer en J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) A. Stuut

HD