Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3064

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
14/3551 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering woonvoorziening in de vorm van een verbouwing waarbij op de begane grond van de woning van appellante een slaapkamer wordt gemaakt. Uit een rapport van de medisch adviseur van het college blijkt genoegzaam dat appellante vanuit medische optiek adequaat gebruik kan maken van de toiletstoel. Niet kan appellante worden gevolgd in haar standpunt dat er geen ruimte is om in één van de kamers op de bovenverdieping om een plek voor een toiletstoel te creëren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/3551 WMO

Datum uitspraak: 3 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
14 mei 2014, 13/910 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.T.A.M. Mes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot en mr. Mes. Het college is vertegenwoordigd door mr. S.E.J.M. Bogaarts.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.


Partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 22 juni 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot en mr. Mes. Het college is vertegenwoordigd door mr. Bogaarts.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende voor dit geschil van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft het college verzocht om een financiële tegemoetkoming op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in de kosten van een woonvoorziening. Deze woonvoorziening betreft een verbouwing waarbij op de begane grond van de woning van appellante een slaapkamer wordt gemaakt. Appellante wil deze verbouwing realiseren, omdat haar slaapkamer op de eerste verdieping is en zij het risico wil vermijden dat zij na een nachtelijke epileptische aanval van de trap valt.

1.2.

Het college heeft in een besluit van 7 november 2011 het verzoek afgewezen. Het college heeft het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard in een besluit van 6 maart 2012. De rechtbank Alkmaar heeft in een uitspraak van 6 december 2012 (zaaknummer 12/1047) het beroep van appellante gegrond verklaard en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college een nader onderzoek moet doen naar het al dan niet aanwezig zijn van een medische noodzaak voor het treffen van de gevraagde voorziening.

1.3.

Het college heeft vervolgens in een besluit van 4 april 2013 opnieuw het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Noord-Holland heeft in een tussenuitspraak van
23 januari 2014 overwogen dat aan het besluit van 4 april 2013 een gebrek kleeft. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en het college in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen. Het college heeft daarop nader onderzoek gedaan.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellantes beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 april 2013 vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante bekend is met nachtelijke epileptische aanvallen waarna een verlaagd bewustzijn optreedt, waarin zij wel dingen doet maar niet goed beseft wat ze doet. In deze schemertoestand zoekt appellante het toilet op. Ook is tussen partijen niet in geschil dat maatregelen moeten worden getroffen om tijdens zo’n schemertoestand het risico van een val van de trap te vermijden. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag hoe dat risico kan worden vermeden. Appellante stelt zich op het standpunt dat de oplossing slechts gevonden kan worden in de bouw van een slaapkamer op de begane grond. De kans is namelijk aanwezig dat zij in schemertoestand komend vanuit de slaapkamer niet naar de badkamer, maar naar het trapgat loopt en van de trap valt. Dat is in de praktijk ook gebeurd. Het college stelt zich onder verwijzing naar de rapporten van de medisch adviseurs van het college van 15 maart 2013 en 28 februari 2014 op het standpunt dat volstaan kan worden met het plaatsen van een knopcilinderslot op de aanwezige schuifdeur op de overloop, waardoor appellante met name bij diepe schermertoestanden de trap niet zal kunnen bereiken. Voor de toiletgang kan worden volstaan met een toiletstoel die geplaatst kan worden in de slaapkamer van appellante of in een andere kamer op de eerste verdieping.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.

Appellante en haar echtgenoot wonen in een eengezinswoning. Op de eerste verdieping zijn drie kamers en een badkamer. Deze drie kamers en badkamer grenzen aan een overloop. Op de overloop is een schuifdeur. Aan de ene kant van de schuifdeur zijn de drie slaapkamers. Aan de andere kant van de schuifdeur zijn de badkamer en het trapgat.

4.2.1.

Over het aanbrengen van een knopcilinderslot op de bestaande schuifdeur heeft appellante gesteld dat het in strijd met het Bouwbesluit is. Het plaatsen van een knopcilinderslot voldoet volgens appellante niet aan de veiligheidsvoorschriften, omdat zij in geval van een calamiteit en na een aanval het huis met een dergelijke sluiting niet veilig kan verlaten. Verder vindt appellante het aanbrengen van een knopcilinderslot niet adequaat voor de oplossing van het probleem, omdat in de praktijk zou kunnen blijken dat ze het ook in schemertoestand kan openen.

4.2.2.

Het college heeft deze stellingen gemotiveerd bestreden en gesteld dat er geen strijd is met het Bouwbesluit 2012 of met het voordien geldende Bouwbesluit. Er is geen sprake van een nooddeur, omdat de schuifdeur niet bestempeld kan worden als een deur die uitsluitend is bestemd om te vluchten. Verder is het zo dat volgens het Bouwbesluit 2012 bij een (binnen)deur in een reguliere woning, niet de hoofdregel geldt dat een deur op een vluchtroute alleen gesloten is als die deur tijdens het vluchten onmiddellijk over de vereiste breedte kan worden geopend zonder gebruik te moeten maken van een sleutel. Overigens is het zo, dat ook bij toepasselijkheid van die hoofdregel een knopcilinderslot is toegestaan.

4.2.3.

Desgevraagd heeft de echtgenoot van appellante op de zitting meegedeeld dat er
‘s nachts altijd iemand bij appellante is. Het is volgens het college dan ook niet goed denkbaar dat appellante in geval van een calamiteit, zoals een brand, vanwege een knopcilinderslot niet veilig het huis zou kunnen verlaten. Verder heeft de gemachtigde van het college uitgelegd dat met het aanbrengen van een knopcilinderslot wordt beoogd een extra barrière voor appellante in te bouwen, naast de barrière die wordt geboden door de persoon die haar
’s nachts vergezelt.

4.2.4.

De Raad volgt het college in de hiervoor genoemde motivering. Het betoog van appellante dat zij na verloop van tijd het knopcilinderslot in schermertoestand zal kunnen openen, is slechts een veronderstelling, waarvoor geen steun in medische stukken is te vinden. Dat betekent dat de beroepsgronden van appellante met betrekking tot het knopcilinderslot op de schuifdeur niet slagen.

4.3.

Het is begrijpelijk dat appellantes voorkeur er niet naar uitgaat dat zij voor toiletbezoek gebruik moet maken van een toiletstoel. Toch kan dat van haar worden gevergd. Uit een rapport van 28 februari 2014 van de medisch adviseur van het college blijkt genoegzaam dat appellante vanuit medische optiek adequaat gebruik kan maken van de toiletstoel. Niet kan appellante worden gevolgd in haar standpunt dat er geen ruimte is om in één van de kamers op de bovenverdieping om een plek voor een toiletstoel te creëren.

4.4.

Wat hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. Daarom wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2016.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) R.I. Troelstra

SS