Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3054

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2016
Datum publicatie
15-08-2016
Zaaknummer
13/6155 AOW-G
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2016:3055 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2016:2153.

Pensioenoverzicht met niet-verzekerde periodes. Appellante is ten onrechte gedurende de bedoelde periodes als niet-verzekerd voor de AOW aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6155 AOW-G

Datum uitspraak: 6 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 oktober 2013, 12/2067 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord. Appellantes gemachtigde heeft daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2016, gevoegd met het gedingen onder nummer 08/5412 AKW, 08/6650 AOW en 09/6430 AOW. Voor appellante is

mr. S. Ikiz, advocaat, verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.A.J. Groenendaal. In deze zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 27 januari 2012 heeft de Svb appellante desgevraagd een pensioenoverzicht verstrekt. Hierin is onder andere opgenomen dat appellante niet verzekerd is geweest van 1 januari 2001 tot en met 29 september 2007 en van 12 augustus 2008 tot en met 15 februari 2009. Appellante heeft tegen dit overzicht geen bezwaar gemaakt.

1.2.

Op 29 maart 2012 heeft appellante opnieuw een pensioenoverzicht aangevraagd. De Svb heeft dit op 18 mei 2012 verstrekt. De onder 1.1 vermelde periodes zijn ook in dit overzicht als niet-verzekerde periodes vermeld. Namens appellante is tegen dit overzicht bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 12 oktober 2012 ongegrond verklaard. De Svb heeft daarbij overwogen dat appellante in genoemde perioden in Duitsland in dienstbetrekking werkzaam is geweest en dat op grond van Verordening (EEG) 1408/71

(Vo 1408/71) de Duitse wetgeving op haar van toepassing was, zodat zij niet op grond van de Nederlandse wetgeving verzekerd was.

2.1.

Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft de Svb zich nader op het standpunt gesteld dat het pensioenoverzicht van 27 januari 2012 is komen vast te staan, nu appellante daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Daarmee staat het niet-verzekerd zijn van 1 januari 2001 tot en met 29 september 2007 en van 12 augustus 2008 tot en met 15 februari 2009 vast. Het besluit van 18 mei 2012 is in zoverre een herhaald besluit, dat niet is gericht op rechtsgevolg.

2.2.

De rechtbank heeft vastgesteld dat uitsluitend de niet verzekerde perioden in de jaren 2001 tot en met 2009 in geschil zijn en dat daarover reeds is beslist met het besluit van

27 januari 2012. Dat appellante, zoals zij heeft gesteld, niet het complete besluit van

27 januari 2012 heeft ontvangen, doet hieraan niet af. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van appellante gelegen de ontbrekende bladzijde(n) van het besluit op te vragen. Bovendien kon haar gemachtigde als professioneel rechtshulpverlener op de hoogte zijn van de mogelijkheid om bezwaar te maken. Met betrekking tot de stelling van appellante dat zij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van mensen die digitaal hun pensioenoverzicht raadplegen, was de rechtbank van oordeel dat aan het digitaal raadplegen van de geregistreerde gegevens geen rechte kunnen worden ontleend, dit in tegenstelling tot het door appellante ontvangen pensioenoverzicht. Door appellante zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot het oordeel leiden dat het besluit van 25 januari 2012 onjuist is. Nu de motivering van het bestreden besluit hangende de procedure is gewijzigd, heeft de rechtbank aanleiding gezien het bestreden besluit te vernietigen en de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3. In het hoger beroep is wederom naar voren gebracht dat appellante niet wist noch kon weten dat zij bezwaar kon maken tegen het pensioenoverzicht van 27 januari 2012, nu het door haar ontvangen overzicht geen bezwaarclausule bevatte en haar gemachtigde nog niet ‘in beeld’ was. Verder is er opnieuw op gewezen dat appellante ongelijk wordt behandeld ten opzichte van mensen die hun pensioenoverzicht digitaal raadplegen. Ten slotte is aangevoerd dat het stellen van de prejudiciële vragen van de Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:783, een nieuwe omstandigheid is in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die appellante niet in een bezwaarprocedure tegen het besluit van 27 januari 2012 had kunnen aanvoeren.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Appellante heeft niet aannemelijk kunnen maken dat zij het pensioenoverzicht van

27 januari 2012 weliswaar heeft ontvangen maar dat daarin geen bezwaarclausule was opgenomen. Dit standpunt, dat overigens pas bij de tweede zitting van de rechtbank in deze procedure is ingebracht, overtuigt niet zonder meer, nu het besluit appellante kennelijk wel heeft bereikt en dan onvolledig geweest moet zijn. Zoals de rechtbank heeft overwogen, had appellante het ontbrekende deel kunnen opvragen. Verder leidt volgens vaste jurisprudentie van de Raad (onder andere de uitspraak van 2 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2037) het enkele ontbreken van een bezwaarclausule onder een besluit niet zonder meer tot het aannemen van verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding. Daarbij is van belang of de betrokkene uit de inhoud van het besluit redelijkerwijs heeft kunnen afleiden dat dit een besluit betrof (waartegen bezwaar gemaakt kon worden). Daarvan is in dit geval sprake, nu een oordeel werd gegeven over periodes waarin appellante niet-verzekerd werd geacht.

4.2.

Ook de grond dat appellante ongelijk wordt behandeld ten opzichte van mensen die hun pensioenoverzicht digitaal raadplegen, slaagt niet. Er is hier geen sprake van gelijke gevallen, nu degenen die hun pensioenoverzicht digitaal raadplegen, geen besluit ontvangen, zoals appellante.

4.3.

Het onder 4.1 en 4.2 overwogene leidt tot de conclusie dat het besluit van 27 januari 2012 rechtens is komen vast te staan. De Svb stelt zich op het standpunt dat dit meebrengt dat slechts bij nieuwe feiten of veranderde omstandigheden een herzien pensioenoverzicht wordt afgegeven en dat eerst bij de definitieve toekenning van het pensioen een nieuwe inhoudelijke beoordeling plaatsvindt. Hierbij is verwezen naar de uitspraak van de Raad van 13 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1590.

4.4.

In zijn uitspraak van 11 september 1991, ECLI:NL:CRVB:1991:AK9419, heeft de Raad als zijn oordeel gegeven dat een beslissing van een uitvoeringsinstelling waarbij, zonder dat een concrete uitkeringssituatie zich direct aandient, een rechtsvaststelling plaatsvindt ten aanzien van het al dan niet verzekerd zijn voor de volksverzekeringen, opgevat moet worden als een beslissing die verband houdt met het recht op uitkering. In zijn uitspraak van 8 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9959, heeft de Raad daaraan de conclusie verbonden dat een pensioenoverzicht als besluit moet worden aangemerkt, nu daarbij een rechtsvaststelling plaatsvindt met betrekking tot eventueel toekomstige aanspraken van betrokkene.

4.5.

In het voorliggende geval is een besluit genomen naar aanleiding van een herhaalde aanvraag om een pensioenoverzicht. Niet valt in te zien dat voor het naar aanleiding van een dergelijk verzoek te nemen besluit niet hetzelfde zou gelden als wat de Raad heeft overwogen ten aanzien van (nog) niet gerealiseerde duuraanspraken, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van

14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1. De vaststelling van verzekerde tijdvakken heeft eveneens het kenmerk dat deze in beginsel niet de vaststelling voor één tijdstip betreft maar dat de vaststelling voortduurt. Dit betekent dat de Svb onderscheid moet maken tussen de periode voor en de periode na de aanvraag. Voor de periode na de aanvraag moet het bestuursorgaan een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toetsing plaatsvinden. Zoals het met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar is dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen, is het ook met een zorgvuldig belangenafweging niet verenigbaar dat een onjuiste vaststelling van de verzekeringspositie blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen. Daar komt nog bij dat de Svb beleid heeft geformuleerd voor de in artikel 4:6 van de Awb neergelegde bevoegdheid tot afwijzing van de herhaalde aanvraag. De Svb acht zich in redelijkheid gehouden terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit indien dat besluit onmiskenbaar onjuist moet worden geacht (SB1076). Deze beleidsregel geldt dus niet alleen voor de toekomst maar ook voor de periode voorafgaand aan de aanvraag om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit. De Svb had de herhaalde aanvraag aan dit beleid moeten toetsen.

4.6.

Het onder 4.4 en 4.5 overwogene brengt met zich dat de Svb zich in eerste aanleg ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat slechts ter beoordeling stond of sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden die tot de conclusie moeten leiden dat het besluit van

27 januari 2012 onjuist was. De rechtbank heeft de Svb hierin ten onrechte gevolgd. De aangevallen uitspraak moet om deze reden worden vernietigd, behalve voor zover daarin is beslist over de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

4.7.

In het bestreden besluit heeft de Svb zijn standpunt gehandhaafd dat appellante van

1 januari 2001 tot en met 29 september 2007 en van 12 augustus 2008 tot en met 15 februari 2009 niet verzekerd was voor de Algemene Ouderdomswet (AOW). Overwogen is dat appellante in Duitsland in dienstbetrekking werkzaam was en dat op grond van Vo 1408/71 de Duitse wetgeving op haar van toepassing was en daarmee niet de Nederlandse wetgeving.

4.8.

De Raad verwijst naar zijn uitspraak van heden in de gedingen met de onder ‘Procesverloop’ genoemde nummers, waaronder een geding tussen appellante en de Svb met nummer 08/5412 AKW. Op dezelfde gronden als in die uitspraak moet worden geoordeeld dat appellante gedurende de in 4.7 genoemde periodes in Nederland als verzekerd voor de AOW moet worden aangemerkt. Dit leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Voor het doen van een tussenuitspraak ziet de Raad geen ruimte. Een opdracht aan de Svb op grond van artikel 8:80a van de Awb verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip verzekerde. De Svb zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5. Er is aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.240,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak behalve voor zover daarin is beslist over de vergoeding van proceskosten en griffierecht;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    draagt de Svb op een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt de Svb in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.240,-.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en
E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2016.

(getekend) M.M. van der Kade

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip kring van verzekerden.

MO