Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3052

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
15/2073 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt onderschreven dat bij appellant geen sprake is van geen benutbare mogelijkheden. Het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 augustus 2014 en aangevuld met het rapport van 23 december 2014 is toereikend gemotiveerd waarom de uiteindelijk geselecteerde functies voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0857

Uitspraak

15/2073 WIA

Datum uitspraak: 12 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

10 februari 2015, 14/8927 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken overgelegd waar het Uwv op heeft gereageerd met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2016. Namens appellant is
mr. Van Es verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als tuinbouwmedewerker in een omvang van 40 uur per week. Appellant heeft zich vanuit een werkloosheidssituatie op 9 april 2012 ziekgemeld wegens nek- en schouderklachten beiderzijds met uitstraling naar de armen en handen.

1.2.

Bij besluit van 12 maart 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant, gegeven de uitkomsten van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, met ingang van

7 april 2014 geen recht is ontstaan op een Wet WIA-uitkering, daar hij op laatstgenoemde datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Bij besluit van 12 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 12 maart 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het door de verzekeringsartsen verrichte medisch onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Deze artsen hebben het dossier bestudeerd met de ingebrachte medische informatie. Appellant is onderzocht door de verzekeringsarts op het spreekuur van 19 februari 2014 en appellant is gezien op de hoorzitting van 2 juli 2014 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep met aansluitend een aanvullend medisch onderzoek.

2.2.

De rechtbank heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden dat de belastbaarheid van appellant is overschat. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten. De verzekeringsarts heeft gelet op de klachten van appellant beperkingen vastgesteld en neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 februari 2014 die door verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigd is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd aangegeven dat de voorlopige diagnose Forrestier, zoals blijkt uit de brief van de reumatoloog van 30 juni 2014, geen aanleiding vormt om meer beperkingen aan te nemen. Voorts heeft de rechtbank het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven dat bij appellant geen sprake is van geen benutbare mogelijkheden.

2.3.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 augustus 2014 en aangevuld met het rapport van 23 december 2014 toereikend is gemotiveerd waarom de uiteindelijk geselecteerde functies voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn. Terecht heeft het Uwv, naar het oordeel van de rechtbank, het opleidingsniveau van appellant vastgesteld op 2 aangezien hij het lager onderwijs in Turkije heeft afgerond. Wat betreft de slechte taalbeheersing heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep erop gewezen dat het verstaan en spreken van de Nederlandse taal binnen zes maanden is te leren en dat bovendien in de geselecteerde functies slechts beperkte eisen aan het lezen en het schrijven wordt gesteld. Concluderend heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidskundige grondslag in overeenstemming met in het bijzonder artikel 9 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, heeft plaatsgevonden.

3. Appellant heeft in hoger beroep gehandhaafd dat het Uwv zijn beperkingen als gevolg van de nek-, rug- en schouderklachten met uitstraling naar de armen en handen, heeft onderschat. Appellant lijdt volgens de neuroloog aan chronische cervicobrachialgie beiderzijds. Door de neuroloog is appellant doorverwezen naar de orthopedisch chirurg in verband met frozen shoulderklachten. De reumatoloog heeft aangegeven dat de klachten passend zijn bij de ziekte van Forrestier met daarbij tendomyogene klachten. Aldus zijn er medisch objectiveerbare oorzaken aan te wijzen voor de ernstige pijnklachten met uitstraling naar de armen en handen alsmede voor zijn beperkingen in het dagelijks functioneren. Appellant meent volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn en meent dat ten onrechte een WIA-uitkering is geweigerd. Het is onduidelijk waarop de conclusie van de verzekeringsarts dat de functionele mogelijkheden op langere termijn zullen verbeteren, is gebaseerd. De voor hem geselecteerde functies zijn niet geschikt omdat deze zijn belastbaarheid overschrijden. Ook kan hij de voor de vervulling van die functies vereiste interne opleidingen niet voltooien noch beschikt hij over een goede beheersing van de Nederlandse taal die geëist wordt in de geselecteerde functies.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De overwegingen van de rechtbank betreffende de medische beoordeling van het bestreden besluit en de uitgangspunten die aan die overwegingen ten grondslag liggen, worden onderschreven. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van wat al in bezwaar en beroep is aangevoerd betreffende de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellant, gemeten naar objectieve maatstaven, meer of zwaarder beperkt is dan door het Uwv met deze FML te minder nu er beperkingen in de rubrieken 3, 4 en 5 van de FML zijn vastgesteld naar aanleiding van de klachten. Met juistheid heeft het Uwv te kennen gegeven dat een beoordeling van verbetering van de belastbaarheid eerst speelt indien sprake is van een volledige arbeidsongeschiktheid. Omdat daarvan geen sprake is, speelt het antwoord op de vraag of de beperkingen al dan niet duurzaam zijn geen rol van betekenis. Omdat appellant in beroep noch hoger beroep medische stukken heeft overgelegd op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de vastgestelde belastbaarheid, dient het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit te worden bevestigd.

4.2.

Ook het oordeel en de overwegingen van de rechtbank betreffende de arbeidskundige beoordeling van het bestreden besluit en de uitgangspunten die aan die overwegingen ten grondslag liggen, worden geheel onderschreven. De arbeidskundige bezwaar en beroep is in zijn rapporten van 12 augustus 2014 en 23 december 2014 inzichtelijk gemotiveerd dat de functies in medisch opzicht binnen de belastbaarheid van appellant vallen.

4.3.

Het vastgestelde opleidingsniveau 2, zoals verwoord door de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 11 maart 2014 en bevestigd door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapporten van12 augustus 2014 en 23 december 2014, wordt niet onjuist geacht. Appellant heeft bij het arbeidskundig onderzoek desgevraagd te kennen gegeven het basisonderwijs in Turkije volledig te hebben gevolgd met enige jaren middelbaar onderwijs waardoor opleidingsniveau 2 is aangewezen. Daarnaast heeft appellant sinds 1996 gewerkt als tuinbouwmedewerker waarmee een opleidingsniveau 2 in ruime mate is bereikt.

4.4.

Ook wat is aangevoerd over de gebrekkige beheersing van appellant van de Nederlandse taal, is een herhaling van wat eerder is aangevoerd. De geselecteerde functies zijn eenvoudige productiematige functies, die ook iemand met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal doorgaans geacht wordt te kunnen vervullen. Er zijn geen aanwijzingen om aan te nemen dat bij appellant sprake is van uit ziekte of gebrek voortkomende beletselen om de Nederlandse taal te leren. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat appellant vanaf 1985 in Nederland woont en jarenlang op de arbeidsmarkt heeft gefunctioneerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 23 december 2014 overtuigend aangegeven waarom appellant in staat moet worden geacht de gevraagde interne opleiding te volgen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet op het voorgaande is voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen plaats.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2016.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) L.L. van den IJssel

NK