Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3051

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
14/6172 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering en voorschotten. Op grond van artikel 3:56, eerste lid, van de Wet Wajong was appellant gehouden tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering en voorschotten. Geen dringende reden op om op grond van artikel 3:56, vijfde lid, van de Wet Wajong geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/6172 WWAJ

Datum uitspraak: 12 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

14 oktober 2014, 13/6390 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A. Bijlsma, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand, een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bijlsma en zijn vader J. de Lange.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uiteenzetting van de feiten waarvan bij de oordeelsvorming wordt uitgegaan, wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 oktober 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:5214. Hier wordt volstaan met het volgende.

1.2.

Betrokkene, geboren [in] 1991, is met ingang van 17 juni 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Per 7 april 2011 is betrokkene voor bepaalde tijd in dienst getreden als aankomend medewerker horeca bij [werkgever] voor 3 tot 38 uur per week. Betrokkene heeft op 31 mei 2011 door middel van een wijzigingsformulier doorgegeven dat hij vanaf 7 april 2011 werkzaam is. Bij besluit van 22 september 2011 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat de Wajong-uitkering van € 676,64 bruto per maand met ingang van 1 oktober 2011 wordt omgezet in een voorschot van € 323,42 bruto per maand.

1.3.

Vaststaat dat appellant de Wajong-uitkering vervolgens ongekort heeft doorbetaald. Bij twee afzonderlijke besluiten van 27 augustus 2013 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat in verband met inkomsten uit werk de Wajong-uitkering over de periode 1 augustus 2011 tot en met 30 september 2012 en met ingang van 1 november 2012 niet wordt uitbetaald. Over de periode 1 oktober 2012 tot en met 31 oktober 2012 wordt de uitkering verlaagd. Tegen deze besluiten heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze besluiten in rechte vaststaan.

1.4.

Bij besluit van 28 augustus 2013 heeft appellant de aan betrokkene over de periode

1 augustus 2011 tot en met 31 mei 2013 te veel betaalde uitkering en voorschotten ter hoogte van € 15.016,62 teruggevorderd. Bij besluit van 2 december 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 28 augustus 2013 ongegrond verklaard onder de overweging dat appellant verplicht is om de onverschuldigd betaalde uitkering en voorschotten van betrokkene terug te vorderen. Van een dringende reden om van terugvordering af te zien, is volgens appellant geen sprake.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van wat in de aangevallen uitspraak is overwogen.

2.2.

De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant aan de terugvordering artikel 3:56, eerste lid, van de Wet Wajong ten grondslag heeft gelegd en dat appellant, gelet op de redactie van dat artikel, niet aan een belangenafweging is toegekomen. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt deze grondslag zich niet met het per 1 juli 2009 in werking getreden artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op grond waarvan appellant geen verplichting heeft om terug te vorderen, maar een bevoegdheid. De Wet Wajong kent zelf geen wettelijke bepaling op grond waarvan voorschotten kunnen worden verstrekt en de rechtbank ziet noch in artikel 3:56 van de Wet Wajong noch in de Memorie van Toelichting bij de totstandkoming van artikel 4:95 van de Awb aanknopingspunten om aan te nemen dat artikel 4:95, vierde lid, van de Awb niet van toepassing zou zijn op de terugvordering van de op grond van het eerste lid van dit artikel verstrekte voorschotten. Artikel 4:95, vierde lid, van de Awb ziet op de mogelijkheid tot terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten en toepassing van die mogelijkheid vereist een belangenafweging. Nu appellant geen belangenafweging heeft gemaakt, heeft de rechtbank in haar uitspraak geoordeeld dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:4 van de Awb, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door een uitspraak van de Raad van 8 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:12.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat op grond van artikel 3:56, eerste lid, van de Wet Wajong de verplichting bestaat al wat onverschuldigd is betaald terug te vorderen. Niet artikel 4:95, vierde lid, van de Awb is de grondslag om voorschotten terug te vorderen, maar artikel 3:56, eerste lid, van de Wet Wajong. Volgens appellant moet artikel 3:56, eerste lid, van de Wet Wajong gezien worden als een lex specialis ten opzichte van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb.

3.2.

Betrokkene heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Volgens betrokkene wordt de terugvordering sinds de wijziging van het wettelijke stelsel per

1 juli 2009 beheerst door artikel 4:95, vierde lid, van de Awb, wat betekent dat bij terugvordering een belangenafweging dient plaats te vinden. In dit geval had appellant moeten laten meewegen dat betrokkene reeds op 31 mei 2011 door middel van een wijzigingsformulier heeft doorgegeven dat hij vanaf 7 april 2011 werkzaam was en dat door een fout van appellant de Wajong-uitkering na het besluit van 22 september 2011 ongekort is uitbetaald. Voorts had appellant moeten meewegen dat het wegens de verstandelijke handicap van betrokkene voor hem redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat hij te veel aan uitkering ontving en dat de terugvordering grote financiële gevolgen voor betrokkene heeft.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

De terugvordering ziet zowel op onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering (periode

1 augustus 2011 tot 1 oktober 2011) als op onverschuldigd betaalde voorschotten (periode

1 oktober 2011 tot en met 31 mei 2013).

4.2.

Bij wet van 3 december 2009 (Stb. 2009, 580) is de Wajong met ingang van

1 januari 2010 gewijzigd. De bepalingen van de Wajong, zoals deze luidden vóór

1 januari 2010, zijn daarbij ondergebracht in hoofdstuk 3 en de citeertitel van de wet is gewijzigd in Wet Wajong. Het in geding zijnde geschil dient dan ook te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van hoofdstuk 3 van de Wet Wajong.

4.3.

Ingevolge artikel 3:56, eerste lid, van de Wet Wajong, wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 3:18 onverschuldigd is verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv teruggevorderd. Op grond van het vijfde lid van dit artikel zoals dat luidde ten tijde in geding kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Ingevolge artikel 4:95, vierde lid, van de Awb worden betaalde voorschotten verrekend met de te betalen geldsom. Onverschuldigd betaalde voorschotten kunnen worden teruggevorderd.

4.4.

Artikel 4:95 van de Awb is ingevoerd bij de Aanpassingswet vierde tranche Awb. In de Memorie van Toelichting bij deze wet (Kamerstukken II, 2006/07, 31 124, nr. 3, blz. 2) is de wetgever ingegaan op de verhouding tussen de met de vierde tranche Awb in te voeren bepalingen en de bijzondere wetgeving:

“Het karakter van de bepalingen in de vierde tranche is hoofdzakelijk dwingend van aard. Met betrekking tot bijvoorbeeld titel 4.4 over bestuursrechtelijke geldschulden wil dit zeggen dat de voorstellen omtrent de vaststelling en de inhoud van de betalingsverplichting, het tijdstip waarop de geldvordering verjaart alsmede wanneer aanmaning en invordering bij dwangbevel mogelijk is, voor het gehele bestuursrecht gelden. Voor de aanpassingswetgeving betekent dit allereerst dat bepalingen die met een dergelijk dwingend voorschrift in strijd zijn, dienen te vervallen. Hetzelfde geldt voor voorschriften in de bijzondere wetgeving die hetzelfde voorschrijven als het dwingende Awb-voorschrift: dergelijke bepalingen worden immers overbodig. Slechts op het niveau van formele wet kan zo nodig worden afgeweken van deze dwingendrechtelijke voorschriften. Dit dient dan in zulke gevallen uitdrukkelijk in de bijzondere wet te worden vermeld door middel van de formulering: ‘In afwijking van artikel…Awb…’.”

4.5.

Met de inwerkingtreding van artikel 4:95 van de Awb op 1 juli 2009 is artikel 47 van de Wajong, op grond van welk artikel een voorschot kon worden verstrekt, komen te vervallen. Artikel 3:56, eerste lid, van de Wet Wajong (voorheen artikel 55 van de Wajong) is echter ongewijzigd gebleven. Uit de tekst van artikel 3:56, eerste lid, van de Wet Wajong blijkt duidelijk dat de terugvordering van bij wijze van voorschot betaalde toeslagen een verplicht karakter heeft. Dat betekent dat – anders dan de Raad heeft geoordeeld in zijn uitspraak van

8 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:12, met betrekking tot de terugvordering van een voorschot op grond van artikel 77 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, welk artikel per 1 juli 2009 was gewijzigd in de zin dat de verwijzing naar de terugvordering van voorschotten hieruit was geschrapt – artikel 4:95, vierde lid, van de Awb in dit geval niet van toepassing is.

4.6.

Op grond van artikel 3:56, eerste lid, van de Wet Wajong was appellant gehouden tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering en voorschotten over de periode

1 augustus 2011 tot en met 1 mei 2013 ter hoogte van € 15.016,62. Dat betrokkene, zoals hij stelt, redelijkerwijs niet heeft kunnen weten dat hij te veel aan Wajong-uitkering ontving, is een argument dat in het kader van de beoordeling van de dringende redenen geen rol kan spelen. De financieel slechte situatie van appellant levert geen dringende reden op om op grond van artikel 3:56, vijfde lid, van de Wet Wajong geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Bij de invordering zal daarmee rekening gehouden kunnen worden door de beslagvrije voet in aanmerking te nemen.

4.7.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en het beroep van betrokkene zal ongegrond worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper als voorzitter en P. Vrolijk en H.O. Kerkmeester als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2016.

(getekend) L. Koper

(getekend) L.H.J. van Haarlem

TM