Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3049

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
14/5387 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-uitkering. De arbeidsongeschiktheid van appellant droeg op de datum in geding geen duurzaam karakter. Bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv is vastgesteld dat op de datum in geding de verwachting was dat de functionele mogelijkheden van appellant op lange termijn wezenlijk zouden toenemen. Appellant heeft geen medische informatie in het geding gebracht die de Raad heeft doen twijfelen aan deze constatering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0856

Uitspraak

14/5387 WIA

Datum uitspraak: 12 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord Nederland van
5 september 2014, 13/1343 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.A. van Wieren, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.

Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.

Partijen hebben op elkaars stukken gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2016. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant is bij besluit van 24 februari 2012 met ingang van 28 mei 2012 een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 80 tot 100%. Blijkens het verzekeringsgeneeskundig rapport van 21 februari 2012 lag aan dit besluit met name ten gronde dat appellant ten gevolge van een ziekenhuisopname in verband met de plaatsing van een heupprothese links niet beschikte over benutbare mogelijkheden.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling is appellant op 16 oktober 2012 gezien door de arts G. Omar. Blijkens een rapport van 23 oktober 2012 zijn er beperkingen ten aanzien van heup-, knie- en psychische klachten vastgesteld. Verder komt uit het dagverhaal en het algeheel functioneren een duidelijk energietekort naar voren gezien de extra rustpauzes en activiteiten die appellant (privé) heeft laten vallen. Op die grond wordt een urenbeperking aangenomen tot zes uur per dag, 30 uur per week. Appellant is aangewezen op werkzaamheden conform de opgestelde Functie Mogelijkhedenlijst (FML). Na onderzoek door de arbeidsdeskundige is bij besluit van 6 november 2012 vastgesteld dat de

WGA-uitkering van appellant niet wijzigt. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op 79,42%. De verwachting is dat de functionele mogelijkheden op lange termijn wezenlijk zullen verbeteren.

2.1.

In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat hij niet tot loonvormende arbeid in staat is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wint informatie in bij de behandelende sector en is aanwezig bij de hoorzitting. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is de duurbeperking niet in overeenstemming met de Standaard Verminderde Arbeidsduur. Deze dient dan ook te vervallen. Er wordt een nieuwe FML opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komt op die basis, en na wijziging van de maatman en het maatmaninkomen, tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 68,87. De inkomenseis wordt gewijzigd vastgesteld op € 756,38 per maand. De nieuwe inkomenseis geldt vanaf 1 december 2014. Door deze wijziging van de inkomenseis verandert de hoogte van de WIA-uitkering, en, mogelijk daarna, de loonaanvullingsuitkering tot die datum niet.

2.2.

Bij besluit van 20 maart 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

3.1.

In beroep is namens appellant als grond aangevoerd dat de duurbeperking ten onrechte is vervallen. Ook anderszins doet de FML geen recht aan de beperkingen van appellant. Gesteld wordt verder dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het verbod van reformatio in peius. Door de wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage is de inkomenseis gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de loonaanvullingsuitkering vanaf

1 december 2014.

3.2.

Volgens de rechtbank is van een reformatio in peius geen sprake. Het rechtsgevolg van het bestreden besluit is immers hetzelfde als het rechtsgevolg van het primaire besluit. De inkomenseis speelt eerst een rol na ommekomst van de loongerelateerde uitkering. Twijfel aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek heeft de rechtbank niet. Ook arbeidskundig ziet de rechtbank geen bezwaren. Het maatmaninkomen is correct vastgesteld. De geselecteerde functies zijn passend. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

4.1.

In hoger beroep heeft het Uwv een besluit van 30 mei 2016 overgelegd waaruit blijkt dat appellant met ingang van 1 december 2014 duurzaam 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht en aan hem per die datum een IVA-uitkering is toegekend.

4.2.

Namens appellant is een verklaring van 23 maart 2016 van de longarts van appellant overgelegd, waaruit volgens appellant naar voren komt dat op de datum in geding sprake was van zodanige longbeperkingen dat een IVA-uitkering aangewezen was. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is in reactie hierop er op gewezen dat de longarts overweegt dat niet is uit te sluiten dat er indertijd al elementen van de actuele ziekte(n) aanwezig waren, die een duurbeperking zouden hebben gerechtvaardigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst er op dat een dergelijke voorstelbaarheid niet kan leiden tot het aannemen van beperkingen als geobjectiveerd gevolg van ziekte of gebrek. Verder wijst hij erop dat bij een longonderzoek in 2011 geen obstructie is vastgesteld. Voor een chronische bronchitis werden onvoldoende aanknopingspunten gevonden. Apnoe’s konden niet worden geobjectiveerd. Een uitspraak over het bestaan destijds van pulmonale hypertensie kon niet worden gedaan.

4.3.

Namens appellant is opgemerkt dat hij belang heeft bij een uitspraak van de Raad primair omdat een IVA-uitkering voor de periode november 2012 tot 1 december 2014 leidt tot een hogere uitkering. Daarnaast wegens de kosten die hij heeft moeten maken, terwijl hij destijds niet heeft kunnen weten dat in 2016 alsnog met terugwerkende kracht tot 1 december 2014 een IVA-uitkering zou worden toegekend.

4.4.

Ter zitting van de Raad is het Uwv aan het beroep van appellant tegemoetgekomen in zoverre dat het zich bereid heeft verklaard tot vergoeding van de (proces)kosten van appellant en het griffierecht in alle instanties.

4.5.

De Raad stelt vast dat in hoger beroep tussen partijen nog slechts in geschil is of het Uwv met recht heeft geoordeeld dat op de datum in geding, 5 november 2012, appellant geen recht had op een IVA-uitkering.

4.6.

Ter beantwoording van deze vraag kan en zal de Raad zich beperken tot de beantwoording van de vraag of de arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding een duurzaam karakter droeg.

4.7.

In dat verband merkt de Raad allereerst op dat de gestelde duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid voor het eerst in hoger beroep door appellant aan de orde is gesteld. Bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv is vastgesteld dat op de datum in geding de verwachting was dat de functionele mogelijkheden van appellant op lange termijn wezenlijk zouden toenemen. Appellant heeft geen medische informatie in het geding gebracht die de Raad heeft doen twijfelen aan deze constatering. De verklaring van de behandelend longarts van 23 maart 2015 maakt dit niet anders nu deze, mede op basis van het longonderzoek uit 2011, verklaart dat hij zich geen goede voorstelling kan maken van het inspanningsvermogen van appellant in 2012.

4.8.

Nu de enige in hoger beroep overgebleven grond niet slaagt, ziet de Raad grond om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.9.

Het Uwv zal worden veroordeeld in de (proces)kosten van appellant. Deze worden begroot op € 992,-, voor kosten van rechtsbijstand in beroep, en € 496,-, voor kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.488,-. Voor vergoeding van kosten in bezwaar is geen grond nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de (proces)kosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1488,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter, en T.L. de Vries en
H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2016.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) N. van Rooijen

SS