Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3047

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
15/877 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting AOW-pensioen wegens niet verzekerde jaren terecht. De echtgenoot van appellante was in de periode dat hij werkzaam was voor de OPCW aangesloten was bij het Provident Fund van de OPCW – uit welk fonds hem bij beëindiging van het dienstverband een severance payment is verstrekt – en dat de echtgenoot in deze periode niet voor een andere werkgever heeft gewerkt en appellante in deze periode geen werkzaamheden in dienstbetrekking heeft verricht of een Nederlandse socialezekerheidsuitkering heeft ontvangen. De Zetelovereenkomst laat geen ruimte voor een beoordeling of de dekking van de regelingen voor sociale zekerheid van de OPCW vergelijkbaar is met de dekking van de Nederlandse sociale zekerheid. De echtgenoot van appellante was in de periode van 1981 tot 1990 werkzaam op de Iraanse ambassade in de functie van Tweede, onderscheidenlijk Eerste Secretaris en dat zij beiden pas na deze periode de Nederlandse nationaliteit verkregen. Geen sprake van discriminatie.

Wetsverwijzingen
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 11
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/328

Uitspraak

15/877 AOW

Datum uitspraak: 12 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

22 december 2014, 14/3678 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Kuijper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kuijper. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante en haar echtgenoot zijn in juli 1981 vanuit Iran naar Nederland gekomen. De echtgenoot heeft van juli 1981 tot augustus 1990 in Nederland gewerkt voor de Iraanse ambassade. Appellante heeft tussen 1982 en 1984 gewerkt voor het Center for International Legal Affairs in Den Haag. Appellante en haar echtgenoot hebben op 15 december 1992 de Nederlandse nationaliteit verkregen. Vanaf 1996 heeft de echtgenoot in dienstbetrekking gewerkt voor de Organisation of prohibition of chemical weapons (OPCW). De echtgenoot is met ingang van oktober 2011 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 14% van het maximale pensioen en een partnertoeslag ter hoogte van 26% van de maximale partnertoeslag. In augustus 2013 heeft appellante een pensioen ingevolge de AOW aangevraagd. Bij besluit van 30 augustus 2013 is aan appellante met ingang van 24 februari 2014 een pensioen toegekend van 22% van maximale pensioen.

1.2.

Bij besluit van 27 maart 2014 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van

30 augustus 2013 gegrond verklaard, is dit besluit herroepen, en is alsnog met ingang van

24 februari 2014 een pensioen toegekend van 24% van maximale pensioen. Daarbij is aangenomen dat appellante niet verzekerd is over de periodes van 24 februari 1964 tot en met 5 juli 1981, van 1 april 1985 tot en met 17 augustus 1990 en van 29 april 1997 tot en met

14 december 2012.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 27 maart 2014 ongegrond verklaard. Geoordeeld is dat appellante terecht niet verzekerd is geacht over de periode van

29 april 1997 tot en met 14 december 2012. De stelling van appellante dat het Provident Fund van de OPCW geen met de AOW vergelijkbare regeling is, heeft de rechtbank verworpen, omdat de vrijstelling van het Nederlandse stelsel, voor het personeel en hun echtgenoten, niet afhankelijk is van het bestaan van een dekking die vergelijkbaar is aan de dekking onder het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid. De vraag of het Provident Fund van de OPCW een ontoereikende pensioenvoorziening is, is niet van belang voor de uitsluiting van de verzekering. Verworpen is ook het beroep van appellante op de internationaalrechtelijke antidiscriminatiebepalingen. Het onderscheid met andere Nederlanders is volgens de rechtbank geen verboden onderscheid, omdat geen sprake is van een geval waarin voor het onderscheid een redelijke grond ontbreekt. De stelling van appellante dat zij ten onrechte niet is geïnformeerd over de vrijstelling en de mogelijkheid van vrijwillige verzekering voor de AOW, heeft de rechtbank verworpen, omdat de uitsluiting van appellante dwingendrechtelijk uit de Zetelovereenkomst volgt en het op de weg van appellante heeft gelegen om voor aanvang van het dienstverband informatie in te winnen bij de OPCW of de Svb.

3. Appellante heeft gesteld dat het stelsel van OPCW niet voldoet aan de eis dat het naar aard en omvang op één lijn te stellen is met het Nederlandse stelsel voor sociale zekerheid. De dekking van het Provident Fund is niet vergelijkbaar met die van het Nederlandse stelsel, omdat het Provident Fund slechts voorziet in een eenmalige uitkering bij het einde van het dienstverband en niet is gerelateerd aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Het bedrag dat aan de echtgenoot van appellante is toegekend, is – ondanks dat zij zeer zuinig leven – bij lange na niet toereikend voor een oudedagsvoorziening die voorziet in de financiële behoefte van appellante en haar echtgenoot. Gesteld is dat de Nederlandse overheid de OPCW diende te verplichten om een toereikende sociale voorziening te creëren. Appellante heeft betoogd dat zij niet op de hoogte was van de werking van het socialezekerheidsstelsel. Volgens appellante had de Nederlandse overheid (IND of gemeente) haar hierover zorgvuldiger moeten informeren. Voorts is gesteld dat appellante door de uitsluiting van de verzekering voor de AOW gediscrimineerd wordt ten opzichte van andere (Nederlandse) ingezetenen. Appellante wijst erop dat zij vanaf juli 1981 in Nederland heeft gewoond en zelf geen werkzaamheden heeft verricht voor de OPCW.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Juist is het oordeel van de rechtbank dat appellante terecht niet verzekerd is geacht over de periode van 29 april 1997 tot en met 14 december 2012.

4.1.2.

Artikel 22, eerste lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de OPCW betreffende de zetel van de OPCW, van 22 mei 1997 (de Zetelovereenkomst) dwingt tot uitsluiting van de verplichte verzekering ingevolge de Nederlandse sociale zekerheid van functionarissen op wie de regelingen voor sociale zekerheid van de OPCW van toepassing zijn. Artikel 22, derde lid, van de Zetelovereenkomst dwingt tot uitsluiting van de verplichte verzekering ingevolge de Nederlandse sociale zekerheid van de echtgenoten van deze functionarissen, tenzij de echtgenoten in Nederland in dienst zijn bij een andere werkgever dan de OPCW of uitkeringen ingevolge het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenoot van appellante in de periode dat hij werkzaam was voor de OPCW aangesloten was bij het Provident Fund van de OPCW – uit welk fonds hem bij beëindiging van het dienstverband een severance payment is verstrekt – en dat de echtgenoot in deze periode niet voor een andere werkgever heeft gewerkt en appellante in deze periode geen werkzaamheden in dienstbetrekking heeft verricht of een Nederlandse socialezekerheidsuitkering heeft ontvangen.

4.1.3.

In het midden dient te worden gelaten wat er zij van de stellingen van appellante dat de regelingen van de OPCW geen pensioenvoorziening omvatten en de uitkering uit het Provident Fund aan de echtgenoot ontoereikend is voor het verwerven van een pensioenvoorziening. De Zetelovereenkomst laat geen ruimte voor een beoordeling of de dekking van de regelingen voor sociale zekerheid van de OPCW vergelijkbaar is met de dekking van de Nederlandse sociale zekerheid. De tekst van de Zetelovereenkomst verdraagt zich niet met een zodanige beoordeling.

4.1.4.

Aan de conclusie dat appellante niet verzekerd is over de periode van 29 april 1997 tot en met 14 december 2012 doet niet af dat artikel 13 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1990 (KB 164) en artikel 14 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) niet over deze gehele periode toepassing kunnen vinden, gelet op het feit dat de OPCW pas met ingang van 7 juli 2006 is vermeld in de Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland. Immers, de uitsluiting van appellante van de verplichte verzekering voor de AOW volgt rechtstreeks uit de toepassing van de Zetelovereenkomst. In dit verband wordt verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:284. Voorts is dit oordeel in lijn met de uitspraak van de Raad van 13 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:4185, waarin is overwogen dat de omstandigheid dat de aanwijzing van de betreffende volkenrechtelijke organisatie eerst met terugwerkende kracht heeft plaatsgevonden, er niet aan afdoet dat de betrokkene niet verzekerd is over de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van het besluit waarbij de aanwijzing heeft plaatsgevonden. Daarbij is verwezen naar de Nota van Toelichting van KB 746, waarin tot uitdrukking is gebracht dat de aanwijzing van een volkenrechtelijke organisatie in de eerste plaats een codificatie is van hetgeen in de zetelovereenkomsten is vastgesteld.

4.1.5.

Aan het oordeel doet voorts niet af dat appellante en haar echtgenoot na aankomst in Nederland niet zouden zijn geïnformeerd over de werking van het sociale zekerheidsstelsel. Juist is het oordeel van de rechtbank dat onbekendheid met de regels die van toepassing zijn, niet tot de conclusie kan leiden dat het pensioen hoger dient te worden vastgesteld. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het op de weg van appellante gelegen om tijdig informatie in te winnen bij de OPCW of de Svb.

4.1.6.

Vastgesteld wordt dat – anders dan de Svb heeft aangenomen – de Zetelovereenkomst eerst met ingang van 7 juni 1997 in werking is getreden. Daarin is geen aanleiding gelegen om het bestreden besluit te vernietigen, nu deze omissie (vooralsnog) niet tot een te laag pensioen heeft geleid, aangezien – gelet op de afronding naar beneden – het aantal jaren waarover appellante niet verzekerd is geacht, daardoor niet wijzigt.

4.2.1.

Wat betreft de verzekering over de periode van 1 april 1985 tot en met 17 augustus 1990 is appellante door de Svb eveneens terecht niet verzekerd geacht.

4.2.2.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen van 19 oktober 1976 (KB 557), zoals deze bepaling luidde in de periode in geding, is niet verzekerd, ten eerste, de in het Rijk wonende niet-Nederlander die diplomatiek of beroepsconsulair vertegenwoordiger is van een andere Mogendheid, en, ten tweede, de in het Rijk wonende niet-Nederlander die als ambtenaar is toegevoegd aan de onder ten eerste bedoelde persoon. Ingevolge artikel 2, onder j, van KB 557 is niet verzekerd de binnen het rijk wonende echtgenoot van degene die ingevolge het bepaalde bij onderdeel f niet verzekerd is.

4.2.3.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van KB 164, zoals deze bepaling luidde in de periode in geding, is niet verzekerd de echtgenoot van de diplomatieke ambtenaar van een andere mogendheid. Voorts zijn niet verzekerd ingevolge het tweede lid van artikel 11 van KB 164 de leden van het administratieve, technische en bedienende personeel van de diplomatieke zending van een andere mogendheid en hun echtgenoot, indien zij niet duurzaam in Nederland wonen of geen Nederlander zijn.

4.2.4.

Niet is in geschil dat de echtgenoot van appellante in de periode van juli 1981 tot en met 17 augustus 1990 werkzaam was op de Iraanse ambassade in de functie van Tweede, onderscheidenlijk Eerste Secretaris en dat zij beiden pas na deze periode de Nederlandse nationaliteit verkregen. Voorts heeft appellante niet betwist dat zij in de periode van 1 april 1985 tot en met 17 augustus 1990 niet in Nederland werkte en de echtgenoot in deze periode geen andere arbeid verrichtte dan die voor de Iraanse ambassade. Gelet op deze omstandigheden is appellante terecht aangemerkt als echtgenote van een diplomatieke of toegevoegde ambtenaar of personeelslid van een diplomatieke zending, als bedoeld in de hiervoor aangehaalde bepalingen en op die grond uitgesloten geacht van de kring van verzekerden.

4.3.1.

Appellante heeft betoogd dat haar uitsluiting van de AOW-verzekering wegens het feit dat haar echtgenoot werkzaam is geweest bij de Iraanse ambassade en de OPCW, moet worden aangemerkt als discriminatie. Zij wijst daartoe op het verschil in behandeling ten opzichte van personen die in vergelijkbare omstandigheden verkeren maar geen echtgenoot hebben die in Nederland werkzaam was bij de Iraanse ambassade of de OPCW, en die wel tot de kring der verzekerden behoren.

4.3.2.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 13 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3783, bevestigd door de Hoge Raad bij arrest van 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:284 en de uitspraak van de Raad van 15 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1434, wordt vooropgesteld dat het hier geen verdacht onderscheid betreft. Bij een regeling op het gebied van de sociale zekerheid op grond van een niet verdacht onderscheid, is eerst sprake van discriminatie in de zin van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden indien dit onderscheid van redelijke grond is ontbloot. Dit laatste kan niet snel worden aanvaard.

4.3.3.

De bedoeling van deze beperkingen van de verzekeringsplicht van de – in de zetelovereenkomsten, dan wel de Nederlandse regelingen bedoelde – medewerkers van zowel diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen van andere mogendheden als volkenrechtelijke organisaties is om samenloop van Nederlandse regelingen met regelingen van deze mogendheden en organisaties te voorkomen. Voorts hebben deze beperkingen als doel de onafhankelijkheid van de bedoelde medewerkers ten opzichte van de autoriteiten van het gastland te waarborgen. Deze medewerkers en hun echtgenoten dienen terug te kunnen vallen op de sociale bescherming van de mogendheid of volkenrechtelijke organisatie waar de medewerkers voor werkzaam zijn. Van een dergelijke regeling kan niet worden gezegd dat deze van redelijke grond is ontbloot.

4.4.1.

Appellante heeft tevens betoogd dat haar uitsluiting van de AOW-verzekering wegens het feit dat zij vóór juli 1981 geen ingezetene van Nederland waren, moet worden aangemerkt als discriminatie. Zij wijst daartoe op het verschil in behandeling ten opzichte van personen die in vergelijkbare omstandigheden verkeren maar vanaf hun vijftiende verjaardag ononderbroken ingezetene zijn geweest en die wel tot de kring der verzekerden behoren.

4.4.2.

Appellante wordt niet gevolgd in dit betoog. Hierbij wordt in het midden gelaten of gesproken kan worden van vergelijkbare gevallen nu, zo dit het geval zou zijn, de ongelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 2 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7609, die is bevestigd bij het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9203.

4.5.

Uit de overwegingen 4.1.1 tot en met 4.4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2016.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) N. van Rooijen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip kring der verzekerden.

NK