Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3040

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
15/3689 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om plaatsingsduur te verlengen van drie jaar naar zes jaar terecht afgewezen. Nu vaststond dat appellant niet meer aan het IBT-vereiste kon voldoen, mocht de minister verlenging weigeren. Aan de wens van appellant om aan het eind van zijn loopbaan deze functie te behouden, aan diens goede staat van dienst, noch aan de omstandigheid dat hij de knieblessure die deelname aan de IBT-training onmogelijk maakt tijdens diensttijd heeft opgelopen, behoefde de minister doorslaggevend gewicht toe te kennen. Beroep op gelijkheidsbeginsel en de Nota Herzien Re-integratiebeleid Defensie slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/174

Uitspraak

15/3689 MAW

Datum uitspraak: 11 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

9 april 2015, 14/10171 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. van Breet hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 15/4970 MAW, plaatsgevonden op

16 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Breet. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.A. Meijer, mr. T.S.C. Mast en C.J. Kleijbergen. In de zaak 15/4970 MAW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 juni 2010 werkzaam in de functie van [functie a] bij de afdeling [naam afdeling], onderdeel van de Staf Commandant Koninklijke Marechaussee. Met ingang van 1 augustus 2012 vervulde appellant bij deze afdeling de functie van [functie b]. De plaatsingsduur is op 1 augustus 2015 geëindigd. Bij rekest van 6 december 2013 heeft appellant verzocht zijn plaatsingsduur te verlengen van drie jaar naar zes jaar.

1.2.

Bij besluit van 6 februari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 oktober 2014 (bestreden besluit), heeft de minister het verzoek afgewezen. De minister heeft zich hierbij, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat appellant een executieve functie heeft waarvoor als eis geldt dat hij deelneemt aan de Integrale Beroepsvaardigheidstraining (IBT). Nu appellant als gevolg van zijn knieblessure niet meer aan de IBT-eis voldoet en zal voldoen, wordt de plaatsingsduur niet verlengd. Aan appellant wordt geen dispensatie verleend op grond van de Nota Herzien Re-integratiebeleid Defensie (Nota). Verder is volgens de minister geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de minister aan appellant, in zijn executieve functie, de eis mocht stellen dat hij deelneemt aan IBT-trainingen. Van ongelijke behandeling is ook volgens de rechtbank geen sprake en appellant kan zich niet beroepen op de Nota.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellant heeft ter zitting gezegd dat het voor hem nu nog een ‘principezaak’ is, waarop de minister de vraag heeft gesteld wat het belang van appellant bij deze procedure is. Appellant wijt zijn knieklachten en het als gevolg daarvan niet kunnen voldoen aan de

IBT-eis aan het bedrijfsongeval dat hem in januari 2013 is overkomen en daarmee aan de minister. De Raad begrijpt uit deze reactie van appe1lant op het aanvullende verweer van de

minister dat hij juist in deze situatie dispensatie voor zijn geringe inzetbaarheidsbeperking op zijn plaats vindt. Appellant vindt de weigering daarvan onbehoor1ijk en stelt erdoor te zijn gedupeerd. Gelet hierop en op de samenhang met de zaak 15/4970 MAW over de aansprakelijkheid van de minister voor het bedrijfsongeval heeft appellant nog belang bij een oordeel over dit hoger beroep.

3.2.

Appellant heeft betoogd dat zijn functie weliswaar formeel een executieve functie is, maar dat het executieve karakter nagenoeg te verwaarlozen is. De minister heeft dit weersproken. De Raad volgt de minister hierin. Er zijn wel degelijk executieve taken verbonden aan appellants functie, ook al zijn de omvang en frequentie ervan beperkt. Een

aantal malen is appellant bij dergelijke taken niet ingezet omdat hij niet IBT-gecertificeerd was. Evenals de rechtbank is daarbij in aanmerking genomen dat het IBT-vereiste vooral is gesteld uit veiligheidsoverwegingen. Het gaat daarbij om de veiligheid van derden, van appellants collega’s en van appellant zelf. De minister heeft er verder terecht op gewezen dat het er niet alleen om gaat dat appellant gecertificeerd is om bewapend op te kunnen treden; de IBT-training omvat meer dan alleen wapentraining. De door appellant genoemde situaties waarin volgens hem inconsequent is omgegaan met bewapend optreden dan wel door niet IBT-gecertificeerden executieve taken zijn uitgevoerd, kunnen aan genoemde aspecten en belangen niets afdoen. Nu formeel en feitelijk sprake is van een functie met executieve taken mocht de minister bij zijn beslissing over de verzochte verlenging van de plaatsingsduur - een beslissing waarbij de minister een discretionaire bevoegdheid toekomt - ook ten aanzien van appellant vasthouden aan het IBT-vereiste. Nu vaststond dat appellant niet meer aan dat vereiste kon voldoen, mocht de minister verlenging weigeren. Aan de wens van appellant om aan het eind van zijn loopbaan deze functie te behouden, aan diens goede staat van dienst, noch aan de omstandigheid dat hij de knieblessure die deelname aan de IBT-training onmogelijk maakt tijdens diensttijd heeft opgelopen, behoefde de minister doorslaggevend gewicht toe te kennen. Alleen al het hiervoor genoemde veiligheidsbelang mocht de minister van groter gewicht achten. De minister mocht bij zijn afweging betrekken dat het appellant, die al vanaf begin 2013 niet voldeed aan het IBT-vereiste, is toegestaan zijn plaatsingsduur tot 1 augustus 2015 uit te dienen. Dit betoog van appellant treft geen doel.

3.3.

Appellant heeft zich ook beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting heeft appellant desgevraagd echter erkend dat er geen collega’s zijn van wie - net als van hem - vaststond dat zij niet meer aan het IBT-vereiste zouden gaan voldoen maar desalniettemin een verlenging van hun plaatsingsduur hebben gekregen. Van gelijke gevallen is dus geen sprake en deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.

3.4.

Ook het beroep dat appellant op de Nota heeft gedaan, slaagt niet. In dat kader heeft hij gesteld dat hij door zijn knieblessure een zogenoemde geringe inzetbaarheidsbeperking heeft. Zo’n in de Nota bedoelde beperking is echter een beperking van de basismedische eisen, zoals ook blijkt uit de door appellant overgelegde verklaring van vliegerarts en verzekeringsarts H. Het IBT-vereiste waaraan appellant niet voldoet is geen medische eis maar een functie-eis. De Nota is in deze situatie dan ook niet van toepassing.

3.5.

Uit 3.2 tot en met 3.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J.L. Meijer

HD