Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3039

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
15/5101 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft het verzoek van betrokkene om met toepassing van artikel 16a van het Algemeen militair ambtenarenreglement te worden aangewezen voor het volgen van een MBO-4-opleiding Logistiek supervisor, ten onrechte afgewezen met toepassing van het in de Richtlijn opleidingen militairen KL neergelegde uitgangspunt dat de opleiding maximaal één niveau hoger mag zijn dan waarmee de militair is ingestroomd. Het nader besluit is gebaseerd op dezelfde onjuist gebleken grondslag. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en bepaalt dat betrokkene wordt aangewezen voor de MBO-4-opleiding Logistiek supervisor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/173

Uitspraak

15/5101 MAW, 15/6880 MAW

Datum uitspraak: 11 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 juni 2015, 15/182 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Defensie (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. N.I. van Os een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 28 augustus 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen.

Het namens betrokkene door mr. Van Os ingestelde beroep tegen het nader besluit heeft de rechtbank doorgezonden naar de Raad.

Betrokkene heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.A. Meijer en C. de Groot. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Os.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene, korporaal der eerste klasse, is werkzaam bij het Commando Landstrijdkrachten als [naam functie A]. Hij is aangesteld in fase 2 met einddatum 31 maart 2017.

1.2.

Bij besluit van 23 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 december 2014 (bestreden besluit), heeft appellant het verzoek van betrokkene van 15 mei 2014 om met toepassing van artikel 16a van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) te worden aangewezen voor het volgen van een MBO-4-opleiding Logistiek supervisor

(MBO-4-opleiding) afgewezen. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek niet overeenkomt met de gemaakte afspraken in het goedgekeurde persoonlijk ontwikkelplan (POP) van 3 april 2013 (POP 1), waarin de loopbaanbegeleider heeft geadviseerd betrokkene aan te wijzen voor een opleiding MBO-3 Planning wegtransport. Het POP van 16 oktober 2013 (POP 2), waarin de loopbaanbegeleider geadviseerd heeft betrokkene aan te wijzen voor een opleiding MBO-4 Logistiek supervisor, is afgekeurd, zodat dat niet aan het verzoek ten grondslag kan worden gelegd. Ingevolge de Richtlijn opleidingen militairen KL (ROMKL) mag een opleiding in het kader van een loopbaan buiten Defensie maximaal één niveau hoger zijn dan dat waarmee de militair is ingestroomd, zodat het verzoek van betrokkene, die op MBO-2-niveau is ingestroomd, moet worden afgewezen. Dat betrokkene verschillende testen heeft gedaan waaruit blijkt dat een MBO-3-opleiding onder zijn denkniveau ligt, is niet doorslaggevend voor het goedkeuren van een POP, noch om te worden aangewezen voor een opleiding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat betrokkene al jaren functioneert op MBO-4-niveau, dat uit een intake en test bij het ROC is gebleken dat een MBO-3-opleiding onder zijn denkniveau ligt en dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen rekening is gehouden met de beroepswensen van betrokkene, zijn werkervaring, zijn opleidingsniveau en zijn werk- en denkniveau. De enkele stelling dat betrokkene bij Defensie is binnengekomen op MBO-2-niveau en dat alleen opleidingen worden toegekend die maximaal één niveau hoger liggen dan waarmee de militair is ingestroomd, acht de rechtbank in dit geval gezien de omstandigheden niet voldoende.

3.1.

Bij het nader besluit heeft appellant het verzoek van betrokkene andermaal afgewezen. Appellant heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat uit nader onderzoek niet is gebleken dat betrokkene structureel op MBO-4-niveau heeft gefunctioneerd. Appellant heeft bij de beoordeling rekening gehouden met de loopbaan- en beroepswensen van betrokkene, maar de door hem geambieerde opleiding is meer dan één niveau hoger dan het niveau waarmee hij is ingestroomd. Derhalve is niet voldaan aan de in de ROMKL gestelde harde eis dat opleidingen in het kader van een loopbaan buiten Defensie maximaal één niveau hoger zijn dan het niveau waarmee de militair is ingestroomd.

3.2.

De Raad zal het nader besluit op de voet van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrekken.

4. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

Het hoger beroep

4.1.

Artikel 16a van het AMAR luidt, voor zover van belang:

“Artikel 16a. Opleidingen, gericht op een loopbaan buiten Defensie

1. De militair kan een aanvraag indienen bij Onze Minister om te worden aangewezen voor een opleiding, gericht op een loopbaan buiten het ministerie van Defensie. De aanvraag gaat vergezeld van een advies van de loopbaanbegeleider (…).

2. Bij een besluit van Onze Minister tot aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met:

a. het bij de aanvraag gevoegde advies van de loopbaanbegeleider (…);

b. de beroepswensen van de militair;

c. de arbeidsmarkt relevantie van de gewenste opleiding en de verhouding tot het werkervarings- en opleidingsniveau van de militair.

(…)

4. Wanneer de opleiding is gericht op het voortzetten van de loopbaan buiten Defensie buiten het functiegebied, waarin de militair bij Defensie werkzaam is, dan wel op een hoger werkniveau worden de kosten voor de opleiding vergoed tot bij ministeriële regeling vast te stellen maximum bedragen.

(…).”

4.2.

Hoofdstuk 6 Opleidingen, gericht op een loopbaan buiten Defensie, artikel 16a AMAR, onder 6.2 Richtlijnen, van de ROMKL luidt als volgt:

“Het beoordelen of de opleiding relevant is wordt door de loopbaanbegeleider gedaan. Relevantie van een opleiding kan op veel manieren worden uitgelegd, de volgende uitgangspunten dienen te worden gehanteerd:

 De opleiding moet voor de militair haalbaar en realistisch zijn, met andere woorden de opleiding dient aan te sluiten op de vooropleiding, het werk- en denkniveau van de militair en moet haalbaar zijn binnen de beschikbare tijd in combinatie met de uitvoering van de functie;

 Maximaal één niveau hoger dan waarmee de militair is ingestroomd;

 De intentie is dat opleidingen in het kader van een loopbaan buiten Defensie voornamelijk worden toegekend in het laatste jaar voorafgaand aan het FPS-ontslag. Hierbij wordt het principe just enough, just in time gehanteerd;

 De opleiding moet voor de arbeidsmarkt relevant zijn, of te wel aannemelijk leiden tot een baan buiten Defensie. Deze informatie kan door de loopbaanbegeleider bij de Bemiddelings- en Begeleidingsorganisatie (BBO) Defensie worden ingewonnen.”

4.3.

Ook in hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat betrokkene niet kan worden aangewezen voor de MBO-4-opleiding omdat hieraan geen goedgekeurd POP ten grondslag ligt. Het POP 2 is niet goedgekeurd omdat de MBO-4-opleiding meer dan één niveau verschilt van het opleidingsniveau waarmee betrokkene is ingestroomd.

4.4.

Appellant heeft ter zitting betoogd dat met de ROMKL, voor zover hier van toepassing, beoogd is een nadere invulling te geven aan het bepaalde in artikel 16a, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR. De vraag die de Raad daarom moet beantwoorden is of het in de ROMKL neergelegde uitgangspunt dat de opleiding maximaal één niveau hoger mag zijn dan dat waarmee de militair is ingestroomd, welk uitgangspunt via het niet goedkeuren van

POP 2, ten grondslag is gelegd aan de afwijzing van het verzoek van betrokkene, de grenzen van een redelijke uitleg van het bepaalde in artikel 16a, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR niet te buiten gaat.

4.5.

Het, op zichzelf genomen terechte, betoog van appellant dat hij niet iedere opleidingswens van een militair voor aanwijzing in aanmerking kan laten komen, laat onverlet dat bij een beslissing over het aanwijzen van een opleiding op grond van artikel 16a,

tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR rekening moet worden gehouden met het werkervarings- en opleidingsniveau op het moment van de aanvraag om een aanwijzing. De tekst van artikel 16a, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR en de nota van toelichting bij het Besluit van 24 januari 2011 tot wijziging van het AMAR in het kader van de invoering van een flexibel personeelsysteem voor de krijgsmacht (Stb. 2011, 21), waarbij dit artikel is ingevoerd, bieden geen aanknopingspunten voor het uitgangspunt dat een gewenste opleiding die in verhouding staat tot het - actuele - werkervarings- en opleidingsniveau van de militair, maar meer dan één niveau hoger is dan het niveau waarmee de militair is ingestroomd, niet voor aanwijzing in aanmerking komt. Deze beperking gaat de grenzen van een redelijke uitleg van artikel 16a, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR dan ook te buiten.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat appellant het verzoek van betrokkene ten onrechte heeft afgewezen met toepassing van het in de ROMKL neergelegde uitgangspunt dat de opleiding maximaal één niveau hoger mag zijn dan waarmee de militair is ingestroomd. Het hoger beroep van appellant slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Nader besluit

5. Het nader besluit is gebaseerd op dezelfde onjuist gebleken grondslag. Het beroep hiertegen zal gegrond worden verklaard en het nader besluit zal worden vernietigd.

Tot slot

6. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De - enige - grondslag voor het onthouden van goedkeuring aan POP 2 en daarmee voor de afwijzing van het verzoek van betrokkene kan niet worden gehandhaafd. De loopbaanbegeleider heeft in POP 2 een positief advies gegeven voor het volgen van de MBO-4-opleiding Logistiek supervisor. Deze opleiding sluit aan bij de wensen van betrokkene, de arbeidsmarktrelevantie van deze opleiding wordt onderschreven in POP 2 en is door appellant niet ontkend. Op grond van de afgenomen PAS-test, de intake en de test bij het ROC is aannemelijk dat deze opleiding aansloot bij het werkervarings- en opleidingsniveau van betrokkene op het moment van diens aanvraag. Bovendien is betrokkene per augustus 2016 en dus al voor de afronding van zijn MBO-4-opleiding bij Defensie aangenomen voor een functie op MBO-4-niveau. Gezien dit alles wordt betrokkene aangewezen voor de MBO-4-opleiding Logistiek supervisor en heeft hij aanspraak op vergoeding van de daaraan verbonden kosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 16a, vierde lid, van het AMAR.

7. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene in bezwaar en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 496,- in bezwaar en € 1.240,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2015 gegrond en vernietigt dit besluit;

- herroept het besluit van 23 juni 2014 en bepaalt dat betrokkene wordt aangewezen voor de

MBO-4-opleiding Logistiek supervisor overeenkomstig het bepaalde in deze uitspraak;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van

28 augustus 2015;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 497,- wordt geheven;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.736,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J.L. Meijer

HD