Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3036

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
15-08-2016
Zaaknummer
15/3473 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De brief van 22 juli 2013, waarbij aan appellante nog tot 1 september 2013 voor 100% het beheer van de facturen- en uitzendkrachtenbak is opgedragen, moet worden aangemerkt als een normaal sturingsmiddel in de inrichting van de werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/305

Uitspraak

15/3473 AW

Datum uitspraak: 11 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

26 maart 2015, 14/2586 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Infrastructuur en Milieu (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. van Harmelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Harmelen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.H.C. van Eck, drs. ing. J. IJsselstijn en T. Maseland.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was per 21 december 2011 werkzaam als [naam functie] bij de afdeling [afdeling], team [team], cluster [cluster] van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Deze functie was ondergebracht bij het team [naam team] van de afdeling [naam afdeling].

1.2.

Appellante verrichtte lichte inkoopwerkzaamheden en beheerde met haar collega’s bij toerbeurt de facturen- en uitzendkrachtenbak. Door achterstanden op de afdeling is in 2012 aan appellante opgedragen om als enige de facturen- en uitzendkrachtenbak te beheren. Na het verzoek van appellante op 11 juni 2013 om de facturen- en uitzendkrachtenbak weer bij toerbeurt af te handelen, zodat zij ook weer aan haar inkooptaken zou toekomen, heeft de minister haar bij brief van 22 juli 2013 bevestigd dat is besproken dat zij nog tot 1 september 2013 voor 100% van haar tijd de facturen- en uitzendkrachtenbak zal beheren en vanaf deze datum voor 50% en voor de andere 50% inkoopwerkzaamheden kan verrichten.

1.3.

Bij besluit van 14 februari 2014 (bestreden besluit) is het tegen de brief van 22 juli 2013 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de minister is het opdragen van het beheer van de facturen- en uitzendkrachtenbak aan appellante een sturingsmiddel en geen (appellabel) besluit. De op verzoek van appellante in de brief van 22 juli 2013 neergelegde schriftelijke weerslag hiervan is niet aan te merken als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen deze brief was daarom geen bezwaar mogelijk.

1.4.

Bij besluit van 28 januari 2015, gewijzigd bij besluit van 29 januari 2015, heeft de minister appellante op grond van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement vanwege een verstoorde arbeidsverhouding per 1 maart 2015 ontslag verleend.

1.5.

Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 26 maart 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:3333) is het ontslagbesluit van 28 januari 2015 geschorst tot zes weken nadat op het tegen dat besluit gemaakte bezwaar zou zijn beslist. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat ervan uit moet worden gegaan dat de verhouding van appellante met haar direct leidinggevende blijvend verstoord is en dat terugkeer van appellante naar het cluster [cluster] daarom geen reële optie meer is. Dat is echter niet voldoende voor ontslag en er zal elders binnen het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een arbeidsplaats voor appellante gezocht moeten worden.

1.6.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de minister het ontslagbesluit van 28 januari 2015 ingetrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante geen belang meer heeft bij een uitspraak over de vraag of de opdracht over het beheer van de facturen- en uitzendkrachtenbak een (rechtmatig) besluit of handeling was waartegen in rechte kan worden opgekomen, nu gelet op de gedurende de looptijd van het beroep blijvend geëscaleerde verhouding tussen appellante en haar direct leidinggevende, terugkeer naar het cluster [cluster] geen reële optie meer is.

3. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat zij wel belang heeft bij een oordeel over de opgedragen werkzaamheden omdat de feitelijk verrichte werkzaamheden in het geval van een eventuele reorganisatie bepalend zijn om als functievolger te worden aangemerkt. Verder heeft appellante gesteld dat de brief van 22 juli 2013 wel een besluit is waartegen bezwaar mogelijk is. Appellante heeft hiertoe aangevoerd dat de opdracht om alleen haar te belasten met het beheer van de facturen- en uitzendkrachtenbak een wijziging is van haar functie en dus meer dan een sturingsmaatregel. De wijziging van haar functie is niet rechtmatig. Appellante wil dat de facturen- en uitzendkrachtenbak weer bij toerbeurt worden beheerd, zodat deze werkzaamheden gelijkelijk over de medewerkers zijn verdeeld en ook zij, net als haar collega’s, inkoopwerkzaamheden kan verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad deelt niet het oordeel van de rechtbank dat het procesbelang aan het beroep van appellante is komen te ontvallen omdat terugkeer naar het cluster [cluster] geen reële optie meer is. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak niet zelf de (on)mogelijkheid van terugkeer van appellante naar het cluster [cluster] kunnen beoordelen, maar heeft het oordeel van de voorzieningenrechter in diens hiervoor genoemde uitspraak van 26 maart 2015 overgenomen. De rechtbank heeft zo miskend dat de minister het ontslag op andere gronden van appellante nadien heeft herroepen en dat er nimmer in een bodemprocedure een oordeel is gegeven over de (on)mogelijkheid van terugkeer van appellante naar het cluster [cluster]. Dat klemt in dit geval

temeer nu de minister ter zitting van de Raad heeft meegedeeld opnieuw te overwegen appellante te ontslaan vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. In een eventuele procedure tegen zo’n ontslagbesluit zal opnieuw aan de orde (kunnen) komen of sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding die aan terugkeer van appellante naar het cluster [cluster] in de weg stond.

4.2.1.

Blijkens een door appellante en haar leidinggevende op 12 mei 2014 voor akkoord ondertekende functiebeschrijving, zijn partijen het er over eens dat de feitelijke werkzaamheden van appellante bestaan uit de administratieve verwerking van facturen, aanvragen over inhuur van uitzendkrachten en het behandelen van inkoopaanvragen.

4.2.2.

De brief van 22 juli 2013, waarbij aan appellante nog tot 1 september 2013 voor 100% het beheer van de facturen- en uitzendkrachtenbak is opgedragen, moet worden aangemerkt als een normaal sturingsmiddel in de inrichting van de werkzaamheden. Dat appellante daardoor tijdelijk geen inkoopwerkzaamheden heeft kunnen doen maakt dit niet anders. Er is geen sprake van een wijziging van haar functie en de brief kan ook anderszins niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar mogelijk was. De minister heeft het bezwaar van appellante dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.3.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Er bestaat aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 februari 2014 ongegrond;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 992,-;

- bepaalt dat de minister aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 248,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter, in tegenwoordigheid van

L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2016.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) L.V. van Donk

HD