Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3034

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
15-08-2016
Zaaknummer
15/6175 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onstalg. Weigeren dienstopdracht. De minister heeft bij zijn besluitvorming de bevindingen van de verzekeringsarts van het Uwv, inhoudende dat appellant (gedeeltelijk) arbeidsgeschikt was, in aanmerking mogen nemen. Dat aan appellant een IVA-uitkering is toegekend maakt dit niet anders, nu deze toekenning op arbeidskundige gronden heeft plaatsgevonden; de arbeidsdeskundige kon op basis van de door de verzekeringsarts vastgestelde duurzame (maar niet volledige) beperkingen, geen functies duiden. Uit de rapporten van de bedrijfsarts volgt evenmin dat appellant in het geheel niet in staat was tot het verrichten van werkzaamheden. Door appellant zijn geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij op medische gronden in het geheel niet in staat was om in het kader van zijn re-integratie te verschijnen op het werk en daar lichte administratieve werkzaamheden te verrichten of dat het verrichten van deze werkzaamheden zou leiden tot schade aan zijn gezondheid. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de opgedragen werkzaamheden op voorhand niet passend voor hem zouden zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/172

Uitspraak

15/6175 AW

Datum uitspraak: 11 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

4 augustus 2015, 14/4381 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Willemsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2016. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde, mr. Willemsen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.H. Grandiek, D. Kooiman, R. Klein en F. Wuijts.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1954, was vanaf 15 oktober 1996 in dienst bij het ministerie van Veiligheid en Justitie, laatstelijk in de functie van projectleider (schaal 11) bij het [naam afdeling] van de Dienst [naam dienst] , locatie [locatie] , voor 36 uur per week. Hij heeft zich op 2 mei 2011 ziek gemeld en was vanaf dat moment onafgebroken ziek als gevolg van Multiple Sclerose en de ziekte van Ménière.

1.2.

Bij besluit van 23 april 2013 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een loonsanctie opgelegd, omdat de minister onvoldoende aan zijn

re-integratieverplichtingen had voldaan. Deze loonsanctie hield in dat de minister de bezoldiging van appellant tot 28 april 2014 moest doorbetalen.

1.3.

De bedrijfsarts heeft de beperkingen van appellant op 10 juli 2013 vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). In deze FML heeft de bedrijfsarts gesteld dat appellant gemiddeld niet meer dan ongeveer twee uur per dag, tien uur per week kan werken. De maximale duur van enigszins concentratie vergende taken is daarbij één uur per dag, verdeeld in periodes van vijftien minuten. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan thuiswerk.

1.4.

Bij besluit van 27 november 2013 heeft het Uwv het verzoek van de minister om de loonsanctie te bekorten afgewezen. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft daarbij, in afwijking van het oordeel van de bedrijfsarts, vastgesteld dat appellant in staat is om gedurende vier uur per dag, vijf dagen per week, werkzaamheden te verrichten.

1.5.

Bij brief van 27 november 2013 heeft de minister appellant meegedeeld dat het

re-integratietraject vanaf 2 december 2013 wordt voortgezet en dat appellant vanaf die datum zestien uur per week, verdeeld over vier dagen van vier uur, lichte administratieve werkzaamheden dient te verrichten op de werklocatie in [locatie] . Appellant is op 2 december 2013 niet verschenen op het werk.

1.6.

Bij besluit van 17 december 2013 heeft de minister appellant de dienstopdracht gegeven om per 6 januari 2014 bij wijze van re-integratie lichte administratieve werkzaamheden te verrichten voor 16 uur per week, verdeeld over vier dagen van vier uur. Daarbij is appellant gewaarschuwd dat zijn aanspraak op bezoldiging vervalt, indien hij zonder deugdelijke grond weigert te verschijnen. Appellant is op 6 januari 2014 niet op het werk verschenen.

1.7.

Bij besluit van 6 januari 2014 heeft de minister met toepassing van artikel 40a, eerste lid, aanhef en onder i, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) de betaling van de bezoldiging van appellant met onmiddellijke ingang stopgezet en hem de dienstopdracht gegeven om op 13 januari 2014 op het werk te verschijnen om in het kader van re-integratie passende werkzaamheden te verrichten. Daarbij is vermeld dat, indien appellant geen gehoor geeft aan deze dienstopdracht, de minister voornemens is ontslag te verlenen volgens

artikel 98b, eerste lid onder b, van het ARAR. Appellant heeft ook aan deze dienstopdracht geen gehoor gegeven en is op 13 januari 2014 niet op het werk verschenen.

1.8.

Bij besluit van 15 januari 2014 heeft de minister appellant met toepassing van artikel 98b, eerste lid, aanhef en onder b, van het ARAR met onmiddellijke ingang ontslag verleend. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant zonder deugdelijke grond heeft geweigerd om passende werkzaamheden te verrichten.

1.9.

Bij besluit van 4 maart 2014 heeft het Uwv appellant per 15 januari 2014 een

IVA-uitkering toegekend, die met ingang van 28 april 2014 tot uitbetaling komt. De arbeidsdeskundige heeft op basis van de medische beperkingen van appellant geen verdiencapaciteit kunnen vaststellen en de mate van diens arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 100%.

1.10.

De tegen de besluiten van 6 januari 2014 en 15 januari 2014 gemaakte bezwaren zijn door de minister bij besluit van 30 juni 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft op de hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zowel aan het besluit tot stopzetting van de bezoldiging als aan het ontslagbesluit is ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft meegewerkt aan zijn re-integratieverplichtingen door geen gehoor te geven aan dienstopdrachten om te verschijnen voor het verrichten van lichte administratieve werkzaamheden.

4.2.

Appellant betoogt (samengevat) dat hij, gelet op de rapporten van de bedrijfsarts van

10 juli 2013 en 8 januari 2014 amper belastbaar was en er geen sprake was van een passend werkaanbod. Werkhervatting zal leiden tot schade aan zijn gezondheid. Appellant vindt voor zijn standpunt bevestiging in de door het Uwv aan hem toegekende IVA-uitkering nu daar uit blijkt dat hij volledig arbeidsongeschikt is.

4.3.

Dit betoog slaagt niet. De minister heeft bij zijn besluitvorming de bevindingen van de verzekeringsarts van het Uwv, inhoudende dat appellant (gedeeltelijk) arbeidsgeschikt was, in aanmerking mogen nemen. Dat aan appellant een IVA-uitkering is toegekend maakt dit niet anders, nu deze toekenning op arbeidskundige gronden heeft plaatsgevonden; de arbeidsdeskundige kon op basis van de door de verzekeringsarts vastgestelde duurzame (maar niet volledige) beperkingen, geen functies duiden. Uit de rapporten van de bedrijfsarts volgt evenmin dat appellant in het geheel niet in staat was tot het verrichten van werkzaamheden. Door appellant zijn geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij op medische gronden in het geheel niet in staat was om in het kader van zijn re-integratie te verschijnen op het werk en daar lichte administratieve werkzaamheden te verrichten of dat het verrichten van deze werkzaamheden zou leiden tot schade aan zijn gezondheid. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de opgedragen werkzaamheden op voorhand niet passend voor hem zouden zijn.

4.4.

Nu appellant meerdere keren zonder deugdelijke reden geen gehoor heeft gegeven aan uitnodigingen of dienstopdrachten om aangeboden passende arbeid te verrichten, heeft de minister op goede gronden besloten de bezoldiging van appellant met toepassing van

artikel 40a, eerste lid, aanhef en onder i, van het ARAR, per 6 januari 2014 stop te zetten.

4.5.

Doordat appellant, ook nadat zijn bezoldiging was gestaakt en hij was gewaarschuwd dat het nogmaals weigeren van het verrichten van passende arbeid zou leiden tot ontslag, op

13 januari 2014 opnieuw zonder deugdelijke grond niet op het werk is verschenen, heeft de minister in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om appellant met toepassing van artikel 98b, eerste lid, aanhef en onder a, van het ARAR ontslag te verlenen.

4.6.

Dit betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.T. Boerlage als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2016.

(getekend) M.T. Boerlage

(getekend) S.W. Munneke

HD