Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
14/7014 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu, zoals onder 3.3.2 is overwogen, de Bbwo-uitkering ten onrechte aan appellant is verleend, heeft de minister terecht met overeenkomstige toepassing van de artikelen 22a en 23 van de WW de Bbwo-uitkering per 1 januari 2013 beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/306

Uitspraak

14/7014 AW

Datum uitspraak: 11 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

19 november 2014, 13/6088 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.T.B. Salomons, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Een verweerschrift is ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Salomons. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Kalvenhaar.

Het onderzoek is ter zitting geschorst.

Op 12 april 2016 heeft de minister desgevraagd nadere stukken ingezonden, waarop namens appellant desgevraagd is gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 6 november 2013, houdende intrekking van diverse besluiten in verband met volledige decentralisatie van de arbeidsvoorwaarden in het primair onderwijs

(Stb. 2013, 460), is het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs (Bbwo) met ingang van 1 januari 2014 ingetrokken. Op grond van het in het Besluit van 6 november 2013 opgenomen overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2014.

1.2.

Appellant was vanaf 1 april 2004 als leraar werkzaam bij de [woonplaats] (werkgever), met laatstelijk als taak Interne Begeleider. Bij beschikking van 15 oktober 2007 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met appellant met ingang van 1 december 2007 ontbonden.

1.3.

Nadat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) bij besluit van

5 december 2007 de uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) met ingang van

1 december 2007 blijvend geheel had geweigerd, is, na bezwaar, bij besluit van 16 januari 2008 appellant deze uitkering alsnog met ingang van 1 december 2007 toegekend en is vastgesteld dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid. Daarbij is vermeld dat de einddatum van deze WW-uitkering 2 februari 2011 is. Bij brief van 19 mei 2008 is appellant naast de WW-uitkering met ingang van 3 december 2007 tot en met 2 februari 2011 een aanvullende uitkering en met ingang van 3 februari 2011 tot en met 31 oktober 2016 een aansluitende uitkering op grond van het Bbwo, toegekend (hierna: Bbwo-uitkering).

1.4.

Bij uitspraak van 21 oktober 2009 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van de werkgever tegen het besluit van 16 januari 2008 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Bij het ter uitvoering van deze uitspraak genomen besluit van 12 maart 2010 heeft het Uwv de toekenning van de WW-uitkering en het eerder ingenomen standpunt dat geen sprake was van verwijtbare werkloosheid, gehandhaafd. Bij uitspraak van 13 juni 2012 heeft de rechtbank van Amsterdam het beroep van de werkgever tegen het besluit van 12 maart 2010 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en, zelf voorziend, het bezwaar tegen het besluit van

5 december 2007, waarbij de WW-uitkering blijvend geheel was geweigerd, ongegrond verklaard. Daaraan heeft de rechtbank ter toelichting toegevoegd dat dit betekent dat het besluit van 5 december 2007 blijft gehandhaafd en dat appellant geen recht heeft op een

WW-uitkering. Bij zijn uitspraak van 8 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0029, heeft de Raad deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.5.

Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 13 juni 2012 heeft KPMG Management Services B.V. (KPMG) bij brief van 5 maart 2013 de Bbwo-uitkering van appellant met ingang van 1 januari 2013 stopgezet. Deze stopzetting is na bezwaar namens de minister door KPMG bij besluit van 13 juni 2013 (bestreden besluit), gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op artikel 33 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 10, eerste lid van het Bbwo, er voor de minister een bestuursbevoegdheid in het leven is geroepen tot het verlenen van buitenwettelijke uitkeringen ook aan niet-ambtenaren. Het bestreden besluit is daarmee aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen beroep openstaat bij de bestuursrechter. Voorts overweegt de rechtbank dat de minister er terecht op wijst dat het Bbwo het recht op een bovenwettelijke uitkering niet afhankelijk stelt van het feitelijk ontvangen hebben van een WW-uitkering, maar van het bestaan van een recht op die WW-uitkering. De rechtbank Amsterdam heeft in haar uitspraak van 13 juni 2012, zelf in de zaak voorziend, bepaald dat de WW-uitkering van appellant blijvend geheel moest worden geweigerd. Als gevolg daarvan kan niet worden gezegd dat het einde van de duur van appellants WW-uitkering is bereikt, hetgeen op grond van de artikel 8, eerste lid, van het Bbwo een voorwaarde is voor het recht op aansluitende uitkering.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.1.

Appellant heeft allereerst de bevoegdheid van KPMG om namens de minister besluiten over de Bbwo-uitkering te nemen bestreden.

3.1.2.

Ter onderbouwing van de stelling dat KPMG ten tijde in geding bevoegd was om namens de minister besluiten te nemen over de Bbwo-uitkering en, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, te beslissen op bezwaarschriften en in rechte op te treden, heeft de gemachtigde van de minister het mandaatbesluit van 8 november 2010 van de minister tot het verlenen van mandaat aan KPMG ingezonden. Gelet op de inhoud van dit stuk had de minister mandaat en volmacht gegeven aan KPMG om het Bbwo ten tijde in geding namens hem uit te voeren.

3.2.1.

Voorts betoogt appellant dat de brief van 5 maart 2013 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dat betoog slaagt niet.

3.2.2.

In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling is sprake indien de handeling gericht is op enig rechtsgevolg. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Bbwo stelt de minister op aanvraag vast of recht op een bovenwettelijke uitkering bestaat.

3.2.3.

De brief van 5 maart 2013 waarbij de Bbwo-uitkering van appellant is beëindigd, heeft dan ook een publiekrechtelijke grondslag en bevat een rechtsvaststelling ten aanzien van de Bbwo-uitkering en is dus gericht op een rechtgevolg, zodat die brief is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dat aan dat besluit (mogelijk) enkele gebreken kleven in die zin dat een (uitgebreide) motivering en een rechtsmiddelenverwijzing ontbreken en niet is vermeld dat het besluit namens de minister door KPMG is genomen, betekent naar vaste rechtspraak van de Raad niet dat het besluit geen rechtsgevolg heeft (uitspraken van

28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2676, en van 28 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3472). Met betrekking tot het vermeende bevoegdheidsgebrek stelt de Raad verder vast dat het bestreden besluit wel vermeldt dat het namens de minister door KPMG is genomen, zodat dit gebrek in het besluit van 5 maart 2013 daarmee is geheeld.

3.2.4.

Voorts heeft appellant gesteld dat de brief van 19 mei 2008 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Bij die brief is namelijk namens de werkgever de Bbwo-uitkering aan appellant toegekend. Volgens appellant berust die toekenning dan ook op een privaatrechtelijke bevoegdheid. Dat betekent volgens appellant dat die beslissing over de toekenning en daarmee dus ook de beslissing over de intrekking van de Bbwo-uitkering geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dat betoog slaagt ook niet. Per abuis is in de brief van 19 mei 2008 vermeld dat de beslissing namens de werkgever van appellant in plaats van de minister is genomen. Dat gebrek doet echter niet af aan besluitkarakter en het rechtsgevolg ervan.

3.3.1.

De Raad moet vervolgens de vraag beantwoorden of de Bbwo-uitkering van appellant per 1 januari 2013 terecht is beëindigd.

3.3.2.

Uit het Bbwo volgt dat het recht van appellant op een Bbwo-uitkering samenhangt met zijn WW-uitkering. Nu met de bevestiging door de Raad van de uitspraak van 13 juni 2012 van de rechtbank Amsterdam de blijvend gehele weigering van de WW-uitkering van appellant in rechte vaststaat, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat aan appellant ten onrechte een Bbwo-uitkering is verleend.

3.3.3.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Bbwo zijn onder meer de artikelen 22a en artikel 23 van de WW van overeenkomstige toepassing op de Bbwo-uitkering. Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van een uitkering of trekt het dat in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 24, 25 of 26 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering of indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WW vindt de intrekking of verlaging van de WW-uitkering, die voortvloeit uit het door de werkgever ingestelde bezwaar of beroep, niet eerder plaats dan de dag volgend op die waarop de beslissing op bezwaar is bekend gemaakt of de uitspraak is gedaan.

3.3.4.

Nu, zoals hiervoor onder 3.3.2 is overwogen, de Bbwo-uitkering ten onrechte aan appellant is verleend, heeft de minister terecht met overeenkomstige toepassing van de artikelen 22a en 23 van de WW de Bbwo-uitkering per 1 januari 2013 beëindigd.

3.4.

Appellant betoogt dat hij ook na de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2012 voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Bbwo-uitkering, omdat het Uwv het recht op een WW-uitkering daarna onverkort heeft gehandhaafd en niet op grond van het bepaalde in artikel 23 van de WW zijn WW-uitkering heeft ingetrokken of verlaagd. Dit betoogt slaagt niet. Voor de minister bestond geen aanleiding de WW-uitkering van appellant na de uitspraak van de rechtbank van Amsterdam van 13 juni 2012 in te trekken of te wijzigen. De rechtbank heeft immers in die uitspraak, zelf voorziend, het bezwaar tegen het besluit van 5 december 2007 ongegrond verklaard. Daaruit volgt al dat appellant de

WW-uitkering met ingang van 1 december 2007 blijvend geheel is geweigerd.

3.5.

Voorts betoogt appellant dat het in strijd is met de beginselen van zorgvuldigheid en rechtszekerheid om vijf jaar na toekenning van de uitkering deze weer in te trekken op grond van (beweerdelijke) feiten en omstandigheden die zich in 2007 zouden hebben voorgedaan.

Uit het Bbwo volgt dat het recht van appellant op een Bbwo-uitkering samenhangt met zijn WW-uitkering. Door de diverse bezwaar- en beroepsprocedures inzake de WW-uitkering had appellant rekening dienen te houden met de mogelijkheid dat zijn WW-uitkering blijvend geheel geweigerd zou worden en dat hij daarom niet in aanmerking kwam voor een

Bbwo-uitkering. Van strijd met het rechtszekerheids- dan wel zorgvuldigheidsbeginsel is dan ook geen sprake.

3.6.

Dat volgens appellant in de procedures bij de rechtbank en de Raad over zijn

WW-uitkering onvoldoende rekening is gehouden met de van belang zijnde feiten en omstandigheden aan de zijde van appellant, betekent, anders dan appellant meent, niet dat die feiten en omstandigheden in de onderhavige procedure alsnog aan de orde kunnen komen. Dat geldt ook voor de stelling van appellant dat de rechterlijke vaststelling dat hij verwijtbaar werkloos is niet berust op een met waarborgen omkleed verhoor van getuigen.

4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A Kooijman als voorzitter en E.J.M. Heijs en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2016.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) A. Mansourova

HD