Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3030

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2016
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
15/3937 AW-G
Formele relaties
Rectificatiebesluit: ECLI:NL:CRVB:2016:3029
Gerectificeerde uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2016:1757
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2016:3029 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2016:1757.Vaststelling beoordeling. De beoordeling is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en berust op voldoende gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3937 AW-G

Datum uitspraak: 12 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 april 2015, 13/6695 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. de Klein, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, advocaat. De korpschef is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten, Dienst Verkeerspolitie, thans de Landelijke Eenheid, Dienst Infrastructuur/Domein Verkeer, unit [unit 1]. Appellant had daarbij als taakaccent 75% transport en milieu controle (TMC) en motorrijder. Met ingang van 1 februari 2012 verrichtte hij voor 100% TMC-werkzaamheden binnen de unit [unit 2], hij behoorde nog wel tot de organisatie van de unit [unit 1].

1.2.

Appellant heeft de korpschef verzocht om hem in aanmerking te brengen voor doorstroming van generalist Gebiedsgebonden Politie (GGP) (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8). In verband hiermee is over de periode van oktober 2010 tot oktober 2012 een beoordeling opgemaakt over het functioneren van appellant. De beoordeling is opgemaakt door S en Z. Op de (gedrags)competenties zijn de onderdelen integriteit, samenwerken, probleemanalyse, klantgerichtheid en stressbestendigheid gewaardeerd met een score C (voldoende) en het onderdeel flexibiliteit met score B (onvoldoende). De resultaten/taakafspraken zijn op de onderdelen aantallen, afhandeling schriftelijk werk, activiteiten voorstellen en taakaccent gewaardeerd met score C en op het onderdeel OIPO met score B. Als eindoordeel over het gehele functioneren is de score C gegeven. De beoordeling is op 30 november 2012 vastgesteld en op 26 februari 2013 aan appellant uitgereikt.

1.3.

Bij besluit van 17 september 2013 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 30 november 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe, onder meer, overwogen dat de beoordeling op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de korpschef aan de hand van concrete voorbeelden voldoende heeft onderbouwd dat de negatieve waarderingen voor flexibiliteit en OIPO op voldoende gronden berusten. Appellant is naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd in zijn bewijsvoering dat de C-scores ten aanzien van de overige bestanddelen op onvoldoende gronden berusten.

3. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat de rechter de inhoud van een vastgestelde beoordeling slechts terughoudend kan toetsen en dat daarom voor een beoordeelde van belang is dat de voorschriften over de totstandkoming van een beoordeling zo goed mogelijk worden nageleefd (uitspraak van 5 juni 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD5395).

4.2.1.

Zoals namens appellant ter zitting nader is toegelicht is het hoger beroep met name gestoeld op zijn standpunt dat de beoordeling niet rechtsgeldig tot stand is gekomen doordat de leden van het managementteam (MT) naar zijn zeggen hebben opgetreden als beoordelaar, zodat er meer dan twee beoordelaars zijn, hetgeen strijdig is met artikel 4 van het Beoordelingsreglement KLPD 2005.

4.2.2.

De Raad volgt appellant niet in dit standpunt. Blijkens het besluit van 30 november 2012 is de beoordeling opgemaakt en als zodanig ondertekend door S en Z. Dat het functioneren van appellant vervolgens is besproken in het MT, maakt niet dat de MT-leden hebben opgetreden als beoordelaar. Appellant kan worden toegegeven dat de in de brief van de beoordelaars van 20 juni 2013 opgenomen zinsnede “De opgemaakte beoordeling is heel uitgebreid, naar eer en geweten en secuur besproken en opgemaakt met het hele MT” voor enige onduidelijkheid kan zorgen, maar de Raad kan hieraan niet de betekenis geven die appellant hieraan wenst te verbinden, namelijk dat (leden van) het MT de facto zouden moeten worden aangemerkt als beoordelaar in de zin van het Beoordelingsreglement KLPD 2005.

4.3.1.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat de beoordeling niet objectief vastgesteld kon worden door S en Z, omdat zij onvoldoende zicht hadden op zijn functioneren en dat de voorliggende beoordeling haaks staat op het oordeel van zijn (nieuwe) leidinggevende,

W, zoals blijkt uit het verslag van het jaargesprek van 21 januari 2013 betreffende de periode 1 februari 2012 tot 21 januari 2013.

4.3.2.

Ook hierin wordt appellant niet gevolgd. Gezien hetgeen de beoordelaars hebben verklaard in de brief van 20 juni 2013 en ook blijkt uit de verslagen van de jaargesprekken van 9 augustus 2010 en 31 oktober 2011, was S reeds vanaf mei 2010 de direct leidinggevende van appellant, die overigens toen als taakaccent al 75% TMC-werkzaamheden had. Voorts bleef de aansturing van appellant ook na januari 2012 in [unit 1], waar de beoordelaars werkzaam waren en was sprake van dagelijkse briefings, waarbij zowel appellant als de beoordelaars aanwezig waren. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de beoordelaars, en met name S, onvoldoende zicht hadden op het functioneren van appellant.

4.3.3.

Het jaargesprek met W had, zo blijkt uit het verslag, het karakter van een startgesprek vanwege de overgang van appellant naar [unit 2]. Ten aanzien van de afzonderlijke competenties is daarom ook geen beoordeling gegeven. Een rechtstreekse vergelijking met de voorliggende beoordeling is dan ook niet aangewezen. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat de korpschef in het kader van de heroverweging in bezwaar kennis heeft genomen van voornoemd verslag en dat, wat daar ook van zij, W als totaalscore op de competenties heeft vermeld dat deze voldoende/ruim voldoende is, derhalve niet aanmerkelijk hoger dan in de voorliggende beoordeling.

4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de beoordeling op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en op voldoende gronden berust. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) A. Mansourova

HD