Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3026

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
11-08-2016
Zaaknummer
14/3368 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte afgewezen aanvraag bijzondere bijstand. Entreekosten bewind voering. Datum opkomen kosten. Benoeming door kantonrechter. Toepassing beleidsregels.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 35
Participatiewet 43
Participatiewet 44
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 432
Burgerlijk Wetboek Boek 1 447
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/315

Uitspraak

14/3368 WWB

Datum uitspraak: 2 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 26 maart 2014, 13/4117 (aangevallen tussenuitspraak) en van 2 mei 2014, 13/4117 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak.

Voor betrokkene is drs. A.J. Leijssen namens de bewindvoerder van betrokkene als wettelijk vertegenwoordiger in deze procedure opgetreden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2016. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 14/1111 WWB. Namens appellant zijn verschenen

drs. N.M.H.A. van Hirtum en drs. E.M. Vrijsen. Betrokkene is vertegenwoordigd door

[Y.], mr. I.H.M. Hest en [Z.]. In de zaak 14/1111 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij beschikking van 3 december 2008 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over alle goederen die betrokkene (zullen) toebehoren (beschermingsbewind) met benoeming van [X.] als bewindvoerster. Bij verzoekschrift van 26 september 2012 heeft betrokkene de kantonrechter verzocht om een andere bewindvoerder. Bij beschikking

14 maart 2013 heeft de kantonrechter de bewindvoerster ontslagen en gelijktijdig

[naam B.V.] (bewindvoerder) tot opvolgend bewindvoerder benoemd.

1.2.

Bij brief van 19 maart 2013 heeft de bewindvoerder namens betrokkene een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand voor onder meer de eenmalige entreekosten van de onderbewindstelling tot een bedrag van € 467,06.

1.3.

Bij besluit van 16 april 2013 heeft appellant, voor zover van belang, de aanvraag om bijzondere bijstand voor entreekosten afgewezen met toepassing van artikel 44, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft dit aldus nader gemotiveerd. Sinds

1 januari 2012 kan maximaal drie maanden met terugwerkende kracht bijzondere bijstand worden toegekend. De entreekosten zijn ontstaan op het moment van het indienen van het verzoekschrift van 26 september 2012. De indieningstermijn voor deze kosten is daarom verlopen.

1.4.

Bij besluit van 2 juli 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit 16 april 2013 ongegrond verklaard. Daartoe heeft appellant naar aanleiding van het bezwaar en onder verwijzing naar zijn beleid nader overwogen dat de intakekosten een aanvang hebben genomen bij de indiening van het verzoekschrift en dat de kosten dus toen zijn opgekomen. Tot 1 januari 2012 was het mogelijk om kosten tot 18 maanden op te sparen alvorens bijzondere bijstand aan te vragen. De wijziging van beleid per 1 januari 2012 heeft in het najaar van 2011 voldoende bekendheid gekregen.

2.1.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de entreekosten zijn opgekomen op het moment van de beschikking van de kantonrechter en niet op het moment van het indienen van het verzoekschrift daartoe. De entreekosten zijn dus gemaakt binnen de indieningstermijn. De rechtbank heeft appellant in de gelegenheid gesteld het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Omdat appellant het niet eens was met deze beslissing, heeft hij van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.2.

Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, onder verwijzing naar zijn beleid, volgehouden dat de entreekosten met de indiening van het verzoekschrift zijn ontstaan en dat de termijn voor indiening van een aanvraag om bijzondere bijstand was verlopen. Daarbij heeft appellant verwezen naar de uitspraak van de rechtbank van 15 januari 2014, nr. 13/3830, in een vergelijkbare zaak, waarin de rechtbank het standpunt van appellant gevolgd heeft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat betrokkene bijzondere bijstand heeft gevraagd voor kosten die zijn opgekomen vóór de datum waarop de aanvraag is ingediend.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA6875) vloeit uit artikel 43, eerste lid, en artikel 44 van de WWB voort dat in beginsel geen recht op bijstand bestaat voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.3.

Evenmin is in geschil dat geen sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden.

4.4.

Ten tijde hier van belang hanteerde appellant onder meer de volgende twee beleidsregels met betrekking tot de toekenning van bijzondere bijstand.

4.4.1.

Beleidsregel B062 geeft blijkens de inleiding aan op welk moment een aanvraag bijzondere bijstand moet worden ingediend respectievelijk in hoeverre verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht mogelijk is. Deze beleidsregel houdt voor zover hier van belang in dat appellant met ingang van 1 januari 2012 bijzondere bijstand verstrekt met terugwerkende kracht tot 3 maanden. De aanvraag moet ingediend worden binnen

3 maanden vanaf de datum waarop de kosten feitelijk zijn ontstaan.

4.4.2.

Beleidsregel B076 geeft het gemeentelijk beleid ten aanzien van het verstrekken van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering. Deze beleidsregel houdt voor zover van belang en onder het kopje “Moment van indienen aanvraag” het volgende in:

“De noodzaak tot beschermingsbewind wordt vastgesteld door de kantonrechter. Het kan enkele maanden duren voordat het besluit is genomen. Omdat de bewindvoerder dan vaak de meest dringende zaken al geregeld heeft voor cliënt, wordt soms een aanvraag bijzondere bijstand ingediend door de bewindvoerder namens cliënt voor de kosten van de bewindvoering nog vóór het kantongerecht een uitspraak heeft gedaan.

Omdat de kosten al wel noodzakelijk zijn, en omdat de rechter het beschermingsbewind in de meeste gevallen toekent, kunnen de kosten van beschermingsbewind vanaf 1 januari 2008 al wel worden vergoed, in afwachting van de uitspraak. Ingangsdatum van de toekenning bijzondere bijstand kan dan worden gelijkgesteld aan het moment van indienen van de aanvraag bewindvoering bij de kantonrechter.”

4.5.1.

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of appellant op grond van het

onder 4.2 weergegeven beleid betrokkene mocht tegenwerpen dat de aanvraag gedaan is meer dan drie maanden nadat de kosten zijn opgekomen.

4.5.2.

Appellant betoogt dat uit zijn onder 4.4 genoemde beleidsregels voortvloeit dat de entreekosten ontstaan op de datum van indiening van een verzoekschrift tot (wijziging) van de onderbewindstelling en deze slechts voor verlening van bijzondere bijstand in aanmerking komen als de aanvraag daartoe binnen drie maanden na de die datum is ingediend. Betrokkene betoogt dat de entreekosten voor hem pas opkomen op het moment dat de bewindvoerder wordt benoemd en dat de aanvraag om bijzondere bijstand dus niet te laat is gedaan.

4.6.

Niet in geschil is dat ‘de datum waarop de kosten feitelijk zijn ontstaan’ zoals bedoeld in beleidsregel B062 gelijk is aan de datum waarop de kosten opkomen. Bij de beantwoording van de vraag op welk moment kosten opkomen - in de zin zoals onder 4.2 bedoeld - heeft een bijstandverlenend orgaan geen beleidsruimte. Met betrekking tot het opkomen van entreekosten voor een bewindvoerder wordt als volgt overwogen.

4.6.1.

Een bewindvoerder heeft ingevolge artikel 1:447 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak op een beloning ten laste van de onderbewindgestelde. Ten tijde van de aanvraag stelde de kantonrechter in gevallen van beschermingsbewind de beloning vast op door het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton geadviseerde forfaitaire bedragen voor onder andere entreekosten en jaarlijkse kosten.

4.6.2.

De kosten van beloning van de bewindvoerder komen voor de onderbewindgestelde pas op - in de zin zoals onder 4.2 bedoeld - vanaf de benoeming van de bewindvoerder. Immers, door die benoeming ontstaat de betalingsverplichting. Dat de beoogde bewindvoerder in sommige gevallen ook werkzaamheden verricht voorafgaande aan zijn benoeming doet daaraan niet af. Als de benoeming niet volgt, of een ander tot bewindvoerder wordt benoemd, blijven die werkzaamheden zonder beloning en dus zonder kosten voor de dan (niet) onder bewind gestelde. Dat degene die zijn eigen onderbewindstelling verzoekt kan weten dat kosten verschuldigd zullen zijn, en dus daarvoor al bijstand kan aanvragen, vormt geen grond om aan te nemen dat de kosten van de beloning van de bewindvoerder opkomen wanneer hij het verzoek doet. Ook derden, waaronder het openbaar ministerie en in bepaalde gevallen het college van burgemeester en wethouders, kunnen gelet op artikel 1:432 van het BW de onderbewindstelling verzoeken. Het moment waarop de kosten opkomen, wat leidend is voor het moment waarop de aanvraag van bijzondere bijstand moet worden ingediend, zou alsdan worden bepaald door toevallige omstandigheden, die buiten de invloedssfeer van appellant liggen en waarop appellant niet noodzakelijkerwijs zicht heeft. Tijdige indiening van de aanvraag zou in zulk een situatie niet van de aanvrager zijn te vergen.

4.7.1.

Beleidsregel B076 houdt gelet op wat in 4.6 is overwogen in, dat nog vóórdat de kosten van bewindvoering zijn opgekomen voor de betrokkene, appellant hem tegemoet komt doordat betrokkene dan al bijzondere bijstand hiervoor kan aanvragen en dat appellant hem deze bijstand al voor de benoeming van de bewindvoerder kan verlenen. Deze beleidsregel regelt dus niet tot wanneer bijstand kan worden aangevraagd nádat de kosten van bewindvoering zijn opgekomen. Nu de aanvraag van betrokkene is ingediend na de benoeming van de bewindvoerder betreft dit geen aanvraag om bijzondere bijstand voor nog niet opgekomen kosten. Beleidsregel B076 is dan ook niet van toepassing op de aanvraag van betrokkene. Appellant heeft deze beleidsregel dus ten onrechte aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd.

4.7.2.

Beleidsregel B062 houdt, gelet op de tekst en strekking ervan, niet meer in dan dat appellant aanvragers van bijzondere bijstand gedurende drie maanden nadat de kosten zijn opgekomen niet kan tegenwerpen dat de aanvraag om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht is gedaan.

4.8.

Beleidsregel B062 dient te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid, voor zover op grond daarvan en voor zover hier van belang appellant bijzondere bijstand met tot drie maanden terugwerkende kracht kan verlenen ook zonder dat zich bijzondere omstandigheden voordoen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1918) betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat slechts wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. Nu in dit geval betrokkene de aanvraag om bijzondere bijstand heeft gedaan binnen een week nadat de kosten door benoeming van de bewindvoerder zijn opgekomen, heeft appellant het beleid niet op consistente wijze toegepast door de aanvraag af te wijzen.

4.9.

Uit 4.4 tot en met 4.8 volgt dat appellant ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen op de grond dat die meer dan drie maanden na het opkomen van de kosten is gedaan. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd. Dit betekent dat appellant overeenkomstig het dictum van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van wat in die en deze uitspraak is overwogen.

5. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

6. Niet gebleken is dat betrokkene in hoger beroep proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat tegen het opnieuw op bezwaar te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan

worden ingesteld;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 493,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

De griffier is verhinderd te ondertekenen

HD