Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3023

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
15-08-2016
Zaaknummer
14/5653 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag langdurigheidstoeslag. Geen uitzicht inkomensverbetering. Beleid niet verbindend. Gebrek gepasseerd met 6:22. Eigen keuze maakt dat geen uitzicht is op inkomensverbetering.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 36
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/343 met annotatie van H.W.M. Nacinovic

Uitspraak

14/5653 WWB

Datum uitspraak: 9 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 augustus 2014, 14/2879 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen (RSD) Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 17 mei 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 23 januari 2012 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant op zijn verzoek met ingang van 1 februari 2012 beëindigd omdat hij een studie zou gaan volgen waarvoor recht op studiefinanciering bestond. Op 4 juni 2013 heeft appellant een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Het dagelijks bestuur heeft deze aanvraag afgewezen op de grond dat het recht niet was vast te stellen, doordat appellant niet woonde op het opgegeven adres en hij niet had aangetoond op welke wijze hij in de periode voorafgaand aan zijn aanvraag in zijn levensonderhoud had voorzien. Dat besluit is onherroepelijk geworden.

1.2.

Appellant heeft op 15 augustus 2013 een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de WWB aangevraagd.

1.3.

Bij besluit van 18 november 2013 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant in de drie jaren voorafgaand aan de aanvraag een studie heeft gevolgd waarvoor hij een tegemoetkoming WTOS of WSF 2000 heeft of heeft ontvangen.

1.4.

Appellant heeft in bezwaar aangevoerd dat hij als voormalig vluchteling geen zicht heeft op inkomensverbetering, dat hij niet is gaan studeren omdat hij voor zijn ouders moet zorgen, dat hij heeft geleefd van de zorg- en huurtoeslag en van een persoonsgebonden budget van zijn ouders en dat hij geen inkomsten heeft uit werk en geen studiebeurs.

1.5.

Bij besluit van 24 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar ongegrond verklaard onder wijziging van de rechtsgrond. Het dagelijks bestuur heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant ingevolge het bepaalde in artikel 1 van de Beleidsregel Langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand 2012 RSD (beleidsregel) niet voldoet aan de voorwaarde dat hij geen uitzicht heeft op inkomensverbetering omdat hij geen bijstand of een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. Het dagelijks bestuur heeft geen aanleiding gezien van het beleid af te wijken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het beleid, neergelegd in artikel 1 van de beleidsregel, niet onredelijk is, zodat geen grond bestaat om de beleidsregel onverbindend te verklaren, noch om met toepassing van de hardheidsclausule van het beleid af te wijken.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat artikel 1 van de beleidsregel onverbindend is omdat daarbij een onjuiste invulling aan het criterium ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’ is gegeven. Verder heeft hij aangevoerd dat het college de beleidsregel met toepassing van de hardheidsclausule buiten toepassing had moeten laten omdat de uitkomst voor appellant onevenredig nadelig is. Het college heeft ten onrechte nagelaten de bijzondere omstandigheden van appellant in aanmerking te nemen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB verleent het college (hier: het dagelijks bestuur) langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die een langdurig laag inkomen heeft en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 en geen uitzicht op inkomensverbetering heeft.

4.2.

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB bepaalt dat de gemeenteraad (hier: het algemeen bestuur van de RSD) bij verordening regels vaststelt met betrekking tot het verlenen van langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de WWB. Die regels hebben ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB in ieder geval betrekking op de hoogte van de langdurigheidstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen langdurig en laag inkomen.

4.3.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening langdurigheidstoeslag WWB 2012 RSD (verordening), vastgesteld door het algemeen bestuur van de RSD, behoren tot de doelgroep van de langdurigheidstoeslag personen van 21 jaar en ouder doch jonger dan

65 jaar met een langdurig laag inkomen, geen in aanmerking te nemen vermogen en geen uitzicht op inkomensverbetering. Ingevolge het vijfde lid kan door of namens het dagelijks bestuur in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende worden afgeweken van de bepalingen van de verordening, indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

4.4.

Ingevolge artikel 1 van de beleidsregel, vastgesteld door het dagelijks bestuur, wordt onder personen die geen uitzicht hebben op inkomensverbetering verstaan personen die een WWB-uitkering hebben of een uitkering op grond van de WAO, de WIA, de Wajong en de WAZ. Ingevolge artikel 2 van de beleidsregel kan het dagelijks bestuur in de gevallen waarin de beleidsregel niet voorziet, dan wel in de gevallen waarin toepassing van deze beleidsregel leidt tot onevenredig nadelige gevolgen voor de belanghebbende, besluiten om op individuele gronden van de verordening of deze beleidsregel af te wijken.

4.5.

Niet in geschil is dat appellant ten tijde hier van belang langdurig over een laag inkomen beschikte. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het besluit om de langdurigheidstoeslag te weigeren, op de grond dat appellant niet voldeed aan het in artikel 36, eerste lid, van de WWB neergelegde criterium dat hij geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, in rechte stand kan houden. Bij de beantwoording van die vraag is het volgende van belang.

4.6.

Het algemeen bestuur van de RSD heeft niet bij verordening nadere regels gesteld met betrekking tot het begrip ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’ zoals opgenomen in

artikel 36, eerste lid, van de WWB. Het dagelijks bestuur hanteert bij de beoordeling van het uitzicht op inkomensverbetering van een belanghebbende het beleid zoals verwoord

onder 4.4.

4.7.

De beroepsgrond dat dit beleid onverbindend is slaagt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen gaat, zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 19 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:271), het door het dagelijks bestuur gehanteerde beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten. Op grond van het beleid wordt iedere aanvrager van langdurigheidstoeslag die niet algemene bijstand of een arbeidsongeschiktheidsuitkering als vermeld in artikel 1 van de beleidsregel ontvangt, geacht per definitie uitzicht op inkomensverbetering te hebben. Het dagelijks bestuur is echter gehouden om iedere aanvraag om langdurigheidstoeslag te beoordelen op grond van een op de persoon van de aanvrager toegespitst onderzoek naar het uitzicht op inkomensverbetering. Daarbij vormt de verlening van algemene bijstand of een arbeidsongeschiktheidsuitkering mogelijk een indicatie, doch volstaat dit niet om het bestaan of ontbreken van uitzicht op inkomensverbetering vast te stellen.

4.8.

Wat onder 4.7 is overwogen betekent dat het bestreden besluit in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet op een draagkrachtige motivering berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Hierin ziet de Raad echter geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen. De volgende overwegingen liggen hieraan ten grondslag.

4.9.

Als aanvrager van langdurigheidstoeslag ligt het op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hij geen uitzicht op inkomensverbetering had. Niet in geschil is dat appellant ten tijde van de aanvraag geen betaalde arbeid verrichtte in verband met het feit dat hij voor zijn ouders, aanvankelijk vooral voor zijn vader, zorgde. Voorts staat vast dat appellant ten tijde hier van belang in staat was een universitaire studie met uitzicht op betaald werk te volgen en dat hij hiervan ten tijde van de aanvraag alleen had afgezien omdat hij voor zijn vader, en later ook voor zijn moeder, zorgde. Ter zitting van de rechtbank heeft hij in dit verband verklaard dat “zijn achtergrond apotheker is en dat hij aan de Universiteit van Wageningen studeerde”. Uit het voorgaande volgt dat een eventueel tijdelijk gebrek aan uitzicht op inkomensverbetering verband houdt met de keuze van appellant om voor zijn ouders te zorgen en niet, zoals appellant heeft aangevoerd, met het feit dat hij voormalig vluchteling is. Het gevolg van een dergelijke persoonlijke keuze dient voor rekening van appellant te blijven. De hiervoor vermelde omstandigheden brengen mee dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen uitzicht had op inkomensverbetering als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de WWB.

4.10.

Het onder 4.8 bedoelde gebrek aan het bestreden besluit kan gelet op 4.9 met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, aangezien aannemelijk is dat appellant door het gebrek in de motivering van het bestreden besluit niet is benadeeld. Het dagelijks bestuur heeft zich immers gelet op 4.9 in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant niet voldeed aan het in artikel 36, eerste lid, van de WWB neergelegde criterium dat hij geen uitzicht op inkomensverbetering had.

4.11.

Anders dan appellant heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat het dagelijks bestuur hem met toepassing van de in artikel 5 van de verordening vervatte hardheidsclausule langdurigheidstoeslag had moeten toekennen.

4.12.

Uit 4.9 tot en met 4.11 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van gronden, omdat de rechtbank zelf geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke als voorzitter en M. Hillen en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2016.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) C. Moustaïne

HD