Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3018

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
15-08-2016
Zaaknummer
15/1228 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte bijstand ingetrokken. Geen gezamenlijke huishouding vast te stellen. Onvoldoende feitelijke grondslag voor gezamenlijk hoofdverblijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1228 WWB

Datum uitspraak: 9 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

6 januari 2015, 13/6128 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.G. Gosselink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2016. Appellant, vergezeld door

[naam] , is verschenen en bijgestaan door mr. Gosselink. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 22 december 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 22 januari 2013 heeft de klantmanager van appellant bij het team Handhaving Sociale Zaken van de gemeente Almere gemeld dat hij na een re-integratiegesprek met appellant en een daarna ingesteld onderzoek het vermoeden had gekregen dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het adres [adres 1] . Appellant staat op dat adres weliswaar in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen) ingeschreven (uitkeringsadres), maar verblijft vermoedelijk bij zijn ex-partner, [ex-partner] (T), die op het adres [adres 2] staat ingeschreven.

1.3.

Naar aanleiding van deze melding heeft een bijzonder controleur van het team Handhaving een onderzoek ingesteld. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn in de periode van 4 tot en met 10 februari 2013 waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres en van het adres van T, zijn twee bewoners uit de buurt van het uitkeringsadres gesproken, zijn bij Vitens gegevens opgevraagd over het waterverbruik op het uitkeringsadres en heeft de bijzonder controleur samen met de klantmanager op 28 februari 2013 een gesprek gevoerd met appellant. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport re-integratie rechtmatigheid van 4 maart 2013.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

6 juni 2013 de aan appellant verleende bijstand in te trekken over de periode van 1 juli 2012 tot en met 28 februari 2013 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 9.613,97 van appellant terug te vorderen en mede van T terug te vorderen. Bij besluit van 6 november 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in de genoemde periode met T een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd waarvan hij, in strijd met zijn inlichtingenverplichting, geen melding heeft gemaakt aan het college. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB is een onweerlegbaar rechtsvermoeden neergelegd, inhoudende dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.2.

Aangezien vaststaat dat appellant en T twee kinderen hebben, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellant en T hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij en T gedurende de periode in geding hun hoofdverblijf in de woning van T hebben gehad. Het waterverbruik op het uitkeringsadres en de omstandigheid dat de auto van appellant bij de waarnemingen vrijwel altijd bij de woning van T is gezien, zijn daarvoor volgens appellant onvoldoende. Deze beroepsgrond slaagt. Daarbij is het volgende van belang.

4.4.

Uit het rapport van 4 maart 2013 blijkt dat het waterverbruik op het uitkeringsadres over de periode van 22 december 2011 tot en met 28 februari 2013 24 m3 bedroeg, terwijl als richtlijn voor een eenpersoonshuishouden een verbruik van gemiddeld 50 m3 geldt. In reactie op wat appellant hierover in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft het college in het verweerschrift erkend dat tapwater door stadsverwarming van Nuon wordt verwarmd en dat het warme tapwater van de woning niet zichtbaar is op het overzicht van Vitens. Daarom stelt het college niet langer dat sprake is van een substantieel lager gebruik van water op het uitkeringsadres ten opzichte van een gemiddeld waterverbruik.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat de beslissing van het college dat appellant gedurende de periode in geding zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van T voornamelijk nog is gestoeld op de waarnemingen in de periode van 4 tot en met 10 februari 2013, waarbij de auto van appellant dertien van de veertien keer bij de woning van T is gezien, en op de door appellant ingeleverde bankafschriften. Over de waarnemingen heeft appellant verklaard dat hij zijn auto bij de woning van T liet staan en deze gebruikte om de kinderen van school te halen. Het college heeft hierover naar voren gebracht dat de auto ook is gezien op tijden waarop scholen doorgaans uitgaan en dat de auto op een aantal middagen is gezien met sneeuwresten, zodat de auto die dag niet kan zijn gebruikt. Wat hiervan ook zij, de periode van een week in februari 2013 waarin de waarnemingen zijn verricht is te kort om de conclusie te rechtvaardigen dat gedurende de gehele periode in geding van acht maanden sprake is geweest van een gezamenlijk hoofdverblijf van appellant en T in de woning van T. Het nagenoeg ontbreken van pinbetalingen in supermarkten en geldopnames op de bankafschriften van appellant vormt evenmin een voldoende onderbouwing voor deze conclusie.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat appellant vanaf 1 maart 2013 weer bij T is gaan wonen en daarom zijn woning aan het uitkeringsadres heeft verlaten, acht de Raad niet aannemelijk dat het college door nader onderzoek alsnog de gebreken in het bestreden besluit kan herstellen. Met het oog op definitieve geschilbeslechting ziet de Raad dan ook aanleiding om het besluit van 6 juni 2013 te herroepen.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- voor rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 6 november 2013;

- herroept het besluit van 6 juni 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde besluit van 6 november 2013;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 992,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. ter Brugge en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) M.S. Boomhouwer

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD