Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3017

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
15-08-2016
Zaaknummer
15/1269 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:528, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang geding bij de rechtbank. Beroep niet gericht tegen terugvorderingsbesluit van andere datum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1269 WWB

Datum uitspraak: 9 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 januari 2015, 13/5982 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Iwema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 15/2695 WWB, plaatsgevonden op

28 juni 2016. Namens appellanten is mr. Iwema verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. Karreman. In de zaak 15/2695 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 16 maart 2009 bijstand naar de norm voor gehuwden. Appellante ontving tevens een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Het college bracht die uitkering evenwel niet in mindering op de verleende bijstand.

1.2.

Bij besluit van 21 december 2012 heeft het college het recht op bijstand van appellanten herzien vanaf 1 december 2012 (bedoeld is 1 januari 2012) door alsnog de arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering te brengen op het recht op bijstand. Tevens heeft het college bij dit besluit de over de periode van 1 december 2012 tot en met

31 december 2012 (bedoeld is 1 januari 2012 tot en met 30 november 2012) teveel ontvangen bijstand tot een bedrag van € 2.878,14 (netto) van appellanten teruggevorderd. Bij besluit van 1 januari 2013 heeft het college de hoogte van deze terugvordering na brutering vastgesteld op € 4.458,82. Tegen de besluiten van 21 december 2012 en 1 januari 2013 hebben appellanten geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 15 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 september 2013, heeft het college het recht op bijstand van appellanten over de periode van 16 maart 2009 tot en met 31 december 2011 herzien door alsnog de arbeidsongeschiktheidsuitkering over die periode in mindering te brengen op het recht op bijstand en de over die periode teveel ontvangen bijstand tot een bedrag van € 8.776,33 van appellanten teruggevorderd. Tegen het besluit van 5 september 2013 hebben appellanten beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.4.

Bij besluit van 1 mei 2014 heeft het college het in het besluit van 15 april 2013 vastgestelde bedrag van de terugvordering van € 8.776,33 verlaagd naar € 1.548,23. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het de zogenaamde zesmaandenjurisprudentie toepast, die inhoudt dat maximaal 6 maanden wordt teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover thans van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 september 2013 tevens gericht geacht tegen het besluit van 1 mei 2014 en het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van 21 december 2012 in rechte vaststaat en dat het de rechtbank daarom niet vrijstaat daarover thans nog een rechtmatigheidsoordeel te geven.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe hebben zij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het beroep van appellanten op de zesmaandenjurisprudentie niet heeft toegepast op de vordering van € 4.458,82, omdat zij hun beroep op de zesmaandenjurisprudentie hebben gedaan ten aanzien van alle terugvorderingen die uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien, te weten enerzijds de arbeidsongeschiktheidsuitkering van het Uwv en anderzijds een WWB-uitkering van het college. Voorts hebben zij aangevoerd dat de vordering van € 4.458,82 al is verrekend met een nabetaling van het Uwv aan het college.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5. Het bedrag van € 4.458,82 is teruggevorderd bij de besluiten van 21 december 2012 en

1 januari 2013. Tegen deze besluiten hebben appellanten geen bezwaar gemaakt. Het beroep bij de rechtbank was gericht tegen het besluit van 5 september 2013 en op grond van

artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht tevens tegen het besluit van 1 mei 2014. Deze besluiten zien niet op de terugvordering van € 4.458,82. Deze terugvordering viel daarom buiten de omvang van het bij de rechtbank aanhangige geding, zodat de rechtbank hier terecht geen uitspraak over heeft gedaan. Het beroep bij de rechtbank was evenmin gericht tegen een besluit omtrent invordering of verrekening van het bedrag van € 4.458,82, zodat ook over de vraag of dit terugvorderingsbedrag van € 4.458,82 al is verrekend met een nabetaling van het Uwv geen oordeel behoefde te worden gegeven. Het hoger beroep slaagt niet.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en J.L. Boxum en G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2016.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) J.L. Meijer

HD