Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3013

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
15-08-2016
Zaaknummer
15/2317 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking. Schending inlichtingenplicht. Middelen voor het onderhouden paard. Aanvullend recht aannemelijk.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 17
Participatiewet 31
Participatiewet 54
Participatiewet 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/318

Uitspraak

15/2317 WWB

Datum uitspraak: 2 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

27 februari 2015, 14/2088 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L.N. Hermans, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 14/3519 WWB, plaatsgevonden op

5 januari 2016. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Hermans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Blanksma.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In de onderhavige zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 9 november 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van anonieme meldingen omtrent werkzaamheden, autobezit en het houden van een paard door appellanten in februari en april 2012 heeft de unit sociale recherche van de gemeente Sittard-Geleen (sociale recherche) onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De sociale recherche heeft dossieronderzoek verricht, het register van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) geraadpleegd en internetonderzoek gedaan. De sociale recherche heeft voorts appellanten diverse keren gehoord en bij hen zijn diverse stukken opgevraagd. De sociale recherche heeft ook getuigen gehoord. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

27 november 2013.

1.3.

Bij besluit van 27 november 2013 heeft het college de bijstand over de maanden december 2007, september 2008, februari en oktober 2009, februari en mei 2010, en maart, juli en oktober 2011 ingetrokken. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenplicht hebben geschonden door geen melding te maken van autohandel in deze maanden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Voorts heeft het college de bijstand ingetrokken over de periode van 1 maart 2012 tot en met 13 maart 2013. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenplicht hebben geschonden door geen melding te maken van de aankoop en het bezit/houden van een paard, waardoor het recht op bijstand in die periode ook niet is vast te stellen. Het college heeft de ten onrechte ontvangen bijstand tot een bedrag van netto € 20.454,11 (bruto € 24.187,88) teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 12 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 november 2013 gegrond verklaard en dat besluit gewijzigd, in die zin dat de periode waarover bijstand is ingetrokken is beperkt tot de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 december 2012. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben bestreden dat zij de inlichtingenplicht hebben geschonden. De auto’s waren voor eigen gebruik, zodat geen sprake was van autohandel. De terugvordering is in strijd met de rechtszekerheid. Hun dochter hield het paard niet voor zichzelf, maar voor de eigenaar, de heer [naam] (P), die de kosten voor de verzorging van het paard via de dochter van appellanten betaalde. Appellanten hebben geen eigen middelen aan het paard besteed.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkenen belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

Autotransacties

4.2.

Niet in geschil is dat in de periode van december 2007 tot en met december 2012

dertien auto’s en een bromfiets op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan, waarvan een groot deel voor korte duur (variërend van enkele dagen tot enkele maanden). In negen periodes stonden tegelijkertijd twee of drie auto’s op zijn naam geregistreerd. Evenmin is in geschil dat appellanten via internet enkele auto’s te koop hebben aangeboden voor vraagprijzen van onder andere € 3.750,- en € 4.750,- en (deels ook reeds voor december 2007) een aantal auto’s naar het buitenland hebben geëxporteerd.

4.3.

De in 4.2 vermelde gegevens bieden voldoende grond voor het standpunt van het college dat sprake was van autohandel, waarmee appellanten inkomsten in verband met de overdracht van de auto's hebben verworven of redelijkerwijs hebben kunnen verwerven in de maanden waarin de registraties bij de RDW zijn beëindigd. Appellanten hebben weliswaar de reden voor de aanschaf en verkoop per auto toegelicht, maar zij hebben hiermee niet aannemelijk gemaakt dat één of meer van die auto’s niet als handelsobject moet worden aangemerkt maar (slechts) bestemd was voor consumptief gebruik. Anders dan appellanten menen is, zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:841), de enkele omstandigheid dat een auto gedurende een periode van een paar maanden op naam van een betrokkene stond en hij in de auto reed onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van consumptief gebruik.

4.4.

Appellanten hebben voor aanvang van het onderzoek door het college geen inlichtingen over transacties met auto’s verstrekt. Zij hebben daardoor de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellanten redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Voor zover bij appellanten twijfel bestond of deze gegevens voor de verlening van bijstand van belang konden zijn, hadden zij daarin aanleiding moeten zien om contact op te nemen met het college om op dit punt duidelijkheid te verkrijgen.

4.5.

Aangezien controleerbare gegevens over de inkomsten in verband met de transacties ontbreken, kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting over de in

1.3

genoemde maanden waarin de registraties zijn beëindigd het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 17 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB1640. Dit levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij recht op (aanvullende) bijstand over de betreffende maanden zouden hebben gehad als zij de inlichtingenverplichting wel waren nagekomen. In het voorgaande ligt besloten dat het college gehouden was om met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB over te gaan tot intrekking van bijstand over die maanden.

4.6.

Appellanten hebben betoogd dat het in strijd is met de rechtszekerheid om pas in juni 2014 bijstand terug te vorderen die vanaf december 2007 is verleend. In redelijkheid kan niet worden verlangd dat zij nog over bewijsstukken met betrekking tot de autotransacties beschikken, te meer niet, nu medio 2009 hun oude administratie door brand verloren is gegaan.

4.7.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Doordat appellanten ten tijde van de transacties daarvan geen melding hebben gemaakt kon verweerder niet eerder de betekenis ervan voor het recht op bijstand beoordelen en hebben appellanten het bewijsprobleem over zichzelf afgeroepen. Het bewijsprobleem komt dan ook voor rekening en risico van appellanten zelf. Vergelijk de uitspraak van 10 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4263.

Onderhoud van een paard

4.8.

De onderzoeksresultaten bieden voldoende grondslag voor de conclusie van het college dat de dochter van appellanten in de periode van 14 maart 2012 tot en met 24 december 2012 een paard bij achtereenvolgens vier verschillende personen heeft ondergebracht, doorgaans zelf voor onderdak en voer voor dat paard betaalde en het paard zelf verzorgde.

4.9.

Met de in 4.8 vermelde feiten heeft het college aannemelijk gemaakt dat de dochter van appellanten het paard onderhield. Appellanten hebben aangevoerd dat het paard eigendom was van de heer P en dat hij hen voorzag van de middelen om in het onderhoud van het paard te voorzien. Deze grond slaagt niet. Van belang is dat appellanten middelen hebben gehad of verkregen om het paard te kunnen onderhouden. Of die middelen afkomstig waren van P of dat zij hierover uit andere bron beschikten is in dit verband niet relevant. Zij hadden die middelen (deels) kunnen aanwenden voor (andere) kosten van levensonderhoud. De verkrijging van deze middelen is dan ook onmiskenbaar van belang voor het recht op bijstand. Door dit niet te melden bij het college hebben appellanten de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden.

4.10.

Schending van de inlichtingenverplichting levert, zoals ook onder 4.5 is overwogen, een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.11.

Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene achteraf gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandverlenend orgaan, indien mogelijk, gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, mag daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening worden gelaten. Vergelijk de uitspraak van de Raad 17 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2130.

4.12.

Het college heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van appellant over gehele hier te beoordelen periode, namelijk vanaf 1 maart 2012 tot en met

31 december 2012, niet is vast te stellen als gevolg van de verzwijging van de middelen waarmee appellanten het paard hebben onderhouden. Voor dit oordeel is in de eerste plaats van belang dat, zoals het college ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, er geen aanwijzingen zijn dat appellanten of hun dochter meer verzwegen middelen hebben ontvangen dan die welke nodig waren voor het onderhoud van het paard.

4.13.

Uit de onderzoeksresultaten volgt hoeveel de maandelijkse kosten van een paard als dit redelijkerwijs bedragen. De maandelijkse kosten kunnen variëren tussen € 112,95 en

€ 361,25, waarbij met name de wijze van stalling en de grootte van het paard de variatie beïnvloeden. Met inachtneming van het uitgangspunt dat resterende onzekerheden over de exacte bedragen voor rekening van appellanten dienen te blijven kan worden aangenomen dat de middelen die appellanten hebben ontvangen voor het onderhouden van het paard € 300,- bedroegen. Dit bedrag kan worden gebaseerd op wat appellanten zelf hebben verklaard, namelijk dat alleen de stallingskosten al € 250,- bedroegen, welk bedrag ook genoemd is door getuigen. Appellanten zouden dus recht op aanvullende bijstand hebben gehad, als zij het college tijdig en correct over het paard hadden geïnformeerd.

Vervolg

4.14.

Wat in 4.12 en 4.13 is overwogen heeft de rechtbank niet onderkend. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het betreft de intrekking over de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 december 2012. Voor zover het bestreden besluit ziet op de terugvordering zal dit eveneens worden vernietigd, omdat een terugvorderingsbesluit ondeelbaar is.

4.15.

Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Nu de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit niet in stand kunnen blijven en de Raad niet over voldoende gegevens beschikt om zelf in de zaak te voorzien, zal het college worden opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Aangezien het nog slechts gaat om een rekenkundige uitwerking acht de Raad een bestuurlijke lus hier niet aangewezen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 1.984,-.

6. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Raad verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 12 juni 2014 voor zover daarbij de intrekking is gehandhaafd over

de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 december 2012 en voor zover het de

terugvordering betreft in zijn geheel;

- draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat tegen het te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.984,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

De griffier is verhinderd te ondertekenen

HD