Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3006

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
11-08-2016
Zaaknummer
15/3633 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering niet-verantwoord pgb. Naar het oordeel van de Raad is met de bankafschriften niet voldoende inzichtelijk gemaakt dat het bedrag van € 10.021,92 is betaald voor zorg waarvoor het pgb is verleend. Ook zijn geen andere gegevens voorhanden waaruit is af te leiden dat concreet zorg is verleend voor deze per bank betaalde bedragen. De betalingen op de bankafschriften en de SVB-loonstroken komen niet overeen met de bij de verantwoording opgegeven bedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/3633 AWBZ

Datum uitspraak: 10 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

16 april 2015, 13/5542 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Aanen hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2016. Namens appellante zijn haar echtgenoot [A.] en mr. Aanen verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G.M. Bosma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellante voor het jaar 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 58.181,45.

1.2.

Appellante heeft verantwoordingsformulieren over de eerste en tweede helft van het jaar 2012 ingediend. Hierin is vermeld dat de zorg in 2012 is verleend door acht verschillende zorgverleners, te weten: [A.], [B.], [C.], [D.], [E.], [F.], [G.] en [H.]. In het kader van een intensieve controle van het pgb heeft het Zorgkantoor aan appellante verzocht nadere stukken met betrekking tot de aan haar verleende zorg te verstrekken. In reactie hierop heeft appellante een aantal stukken aan het Zorgkantoor toegezonden.

1.3.

Bij besluit van 6 mei 2013 heeft het Zorgkantoor het pgb voor het jaar 2012 vastgesteld op € 18.975,72. Daarbij is overwogen dat aan appellante een pgb van € 58.181,45 is verleend, dat een verantwoordingsvrij bedrag van € 872,72 geldt en dat van de door appellante ingezonden verantwoording een bedrag van € 18.103,- wordt geaccepteerd. Dit betekent dat van appellante een bedrag van € 39.205,75 wordt teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 15 juli 2013 heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 mei 2013 gegrond verklaard. Volgens het Zorgkantoor is uit de in het kader van de intensieve controle verstrekte stukken gebleken dat appellante niet heeft voldaan aan de in artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa opgenomen verplichtingen. Appellante heeft onvoldoende inzicht gegeven over de aard van de verleende zorg, de hoogte van de vergoeding en over de tijden waarop er bepaalde zorg is verleend. Ondanks de vastgestelde onregelmatigheden is volgens het Zorgkantoor wel voldoende aannemelijk gemaakt dat een bedrag van € 25.242,24 van door [B.] verleende zorg ten laste van het pgb kan worden gebracht. Het totaal verantwoorde bedrag heeft het Zorgkantoor daarom gewijzigd in € 43.345,24. Rekening houdend met het verantwoordingsvrije bedrag leidt dit tot een gewijzigde terugvordering van € 13.963,51.

1.5.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 juli 2013. Naar aanleiding van de door appellante in beroep overgelegde stukken heeft het Zorgkantoor bij besluit van

17 juni 2014 (bestreden besluit) het pgb voor het jaar 2012 vastgesteld op € 46.645,80 (bestaande uit een verantwoordingsvrij bedrag van € 872,72 en een verantwoord bedrag van € 45.773,08) en een bedrag van € 11.535,67 van appellante teruggevorderd. Hieraan ligt ten grondslag dat het Zorgkantoor, gelet op het verschil tussen het besluit van 15 juli 2013 en het bestreden besluit, nog een extra bedrag van € 2.427,84 voor door [B.] verleende zorg heeft geaccepteerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 juli 2013 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat appellante niet volledig voldaan heeft aan de in artikel 2.6.9 van de Rsa opgenomen verplichtingen. Het Zorgkantoor was daarom bevoegd het pgb lager vast te stellen en heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van deze bevoegdheid. Het Zorgkantoor was ook bevoegd om de door de lagere vaststelling onverschuldigd betaalde voorschotten terug te vorderen. Door appellante zijn geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit gekeerd. Aangevoerd is dat appellante een bedrag van € 55.796,-

(lees: € 55.795,-) aan zorg heeft uitgegeven en verantwoord en dat het Zorgkantoor hiervan ten onrechte slechts een bedrag van € 45.773,08 heeft geaccepteerd. Volgens appellante wijkt de verantwoording in 2012 niet af van eerdere verantwoordingen die wel zijn geaccepteerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa is opgenomen welke verplichtingen aan de verzekerde bij de verlening van een pgb worden opgelegd.

4.2.

Ingevolge artikel 2.6.13, tweede lid, van de Rsa wordt na afloop van iedere subsidieperiode de subsidie voor de desbetreffende subsidieperiode vastgesteld.

4.3.

Op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de subsidie lager worden vastgesteld indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

4.4.

Op grond van artikel 4:95, vierde lid, tweede volzin, van de Awb kunnen onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.

4.5.

Het bestreden besluit moet worden aangemerkt als een vaststellingsbeschikking als bedoeld in artikel 2.6.13, tweede lid, van de Rsa en artikel 4:46 van de Awb. Dit besluit dient tevens te worden aangemerkt als terugvorderingsbesluit als bedoeld in artikel 4:95 van de Awb.

4.6.

Niet in geschil is dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat het Zorgkantoor op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb bevoegd was het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

4.7.

Tussen partijen is verder niet in geschil dat het Zorgkantoor bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid in ieder geval een bedrag van € 1.513,75 (58.181,45 – (872,72 + 55.795)) als onvoldoende verantwoord mocht afwijzen en tot terugvordering van dit bedrag heeft kunnen overgaan. Het geschil beperkt zich tot de vraag of het Zorgkantoor een bedrag van

€ 10.021,92 (55.795 – 45.773,08) heeft mogen afwijzen en dit bedrag heeft kunnen terugvorderen. Dit bedrag is blijkens de bankafschriften door appellante aan [A.], [B.] en [F.] betaald naast de – door het Zorgkantoor wel geaccepteerde – bedragen die aan deze zorgverleners volgens de SVB-loonstroken zijn betaald.

4.8.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) moet het Zorgkantoor de discretionaire bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen uitoefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, waaronder de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Daarbij zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij ook de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is.

4.9.

De door appellante aangevoerde omstandigheden maken niet dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot afwijzing van het bedrag van € 10.021,92 heeft kunnen komen. Naar het oordeel van de Raad is met de bankafschriften niet voldoende inzichtelijk gemaakt dat het bedrag van € 10.021,92 is betaald voor zorg waarvoor het pgb is verleend. Ook zijn geen andere gegevens voorhanden waaruit is af te leiden dat concreet zorg is verleend voor deze per bank betaalde bedragen. De betalingen op de bankafschriften en de SVB-loonstroken komen niet overeen met de bij de verantwoording opgegeven bedragen. De pas tijdens de zitting ingenomen stelling dat de per bankrekening betaalde bedragen bij de Belastingdienst als inkomen zijn opgegeven conform de overgelegde formulieren “opgaaf uitbetaald bedrag” is niet onderbouwd en slaagt daarom niet. Verder ontbreken declaraties waaruit blijkt wanneer welke zorg tegen welk tarief is verleend. De stelling van appellante dat dergelijke gespecificeerde declaraties van haar niet verlangd mogen worden, omdat dat ondoenlijk is voor iemand die thuis 24-uurs-zorg ontvangt, volgt de Raad niet. Appellante heeft zelf gekozen om zorg in de vorm van een pgb geleverd te krijgen en is daarmee gehouden de hieraan verbonden verplichtingen, waaronder de verplichting om op verzoek gespecificeerde declaraties over te leggen, na te komen. Dat appellante van belangenvereniging Per Saldo andere informatie zou hebben gekregen, leidt niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond van appellante dat zij de besteding van het pgb in eerdere jaren op precies dezelfde wijze heeft verantwoord en deze verantwoording toen wel is geaccepteerd, slaagt reeds niet omdat iedere onderbouwing van deze beroepsgrond ontbreekt.

4.10.

Uit 4.9 volgt dat het Zorgkantoor het bedrag van € 10.021,92 onverschuldigd heeft betaald. Het Zorgkantoor is op grond van artikel 4:95 van de Awb bevoegd dit bedrag terug te vorderen. Appellante heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering hiervan heeft kunnen overgaan.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en J.P.A. Boersma en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2016.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) I.G.A.H. Toma

UM