Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
11-08-2016
Zaaknummer
14/6889 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak 1: Beëindigen ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Uitspraak 2: Geen recht op een WIA-uitkering. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Er is geen sprake van toegenomen beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0836

Uitspraak

14/6889 ZW, 16/1197 WIA

Datum uitspraak: 10 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

4 november 2014, 14/5009 (aangevallen uitspraak 1) en op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 januari 2016, 15/6947 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2016. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 7 september 2011 heeft het Uwv bepaald dat appellante per 31 oktober 2011 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Aan dit besluit ligt onder meer een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 augustus 2011 ten grondslag en een arbeidskundig rapport van 2 september 2011, waarin is uiteengezet dat appellante – ondanks haar beperkingen die het gevolg zijn van rugklachten en fibromyalgie – in staat wordt geacht om de geselecteerde voorbeeldfuncties van assistent consultatiebureau, kassamedewerker en besteller te vervullen. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van

7 september 2011 is bij besluit van 20 februari 2012 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het besluit van 20 februari 2012 geen beroep ingesteld.

1.2.

Appellante heeft zich, voor zover in deze procedure van belang, op 7 januari 2014 ziek gemeld bij het Uwv met pijnklachten onder de hiel en toegenomen klachten van met name schouders en ellebogen. Appellante ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, waarvan de maximumduur op 30 januari 2014 zou worden bereikt. Bij besluit van 27 januari 2014 heeft het Uwv bepaald dat appellante met ingang van 30 januari 2014 een uitkering krijgt op grond van de Ziektewet (ZW).

1.3.

Appellante is op 18 maart 2014 onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat de klachten van de rechtervoet beperkingen geven voor lang lopen, lang staan en traplopen. Aan de toegenomen klachten van fibromyalgie heeft hij niet meer beperkingen verbonden. Blijkens zijn rapport van 22 april 2014 heeft hij appellante per de datum van ziekmelding nog steeds geschikt geacht voor de functie van assistent consultatiebureau.

1.4.

Bij besluit van 19 maart 2014 heeft het Uwv bepaald dat appellante met ingang van

7 januari 2014 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Bij besluit van 27 maart 2014 heeft het Uwv, omdat aan appellante al ZW-uitkering was betaald tot 24 maart 2014, nader bepaald dat het recht op ziekengeld met ingang van 24 maart 2014 eindigt.

1.5.

De ziekmelding van appellante van 7 januari 2014 heeft ook ertoe geleid dat naar aanleiding van een aanvraag van appellante van 10 november 2014 is beoordeeld of voor appellante met ingang van 7 januari 2014 alsnog recht op een WIA-uitkering is ontstaan. Bij besluit van 11 november 2014 heeft het Uwv bepaald dat appellante per 7 januari 2014 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering omdat is gebleken dat “uw ziekmelding per

7 januari 2014 feitelijk niet terecht was”.

1.6.

Appellante heeft tegen de besluiten van 24 maart 2014 en 11 november 2014 bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft deze bezwaren bij besluiten van 15 mei 2014 (bestreden besluit 1) en 17 augustus 2015 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard en zijn beslissingen gehandhaafd dat appellante op 7 januari 2014 geen recht heeft op een ZW-uitkering en evenmin op een WIA-uitkering. Aan het bestreden besluit 1 ligt een rapport ten grondslag van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 mei 2014, waarin de bevindingen van de in 1.3 genoemde verzekeringsarts zijn onderschreven. Aan het bestreden besluit 2 ligt een rapport ten grondslag van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 augustus 2015. Deze arts heeft appellante op 25 juni 2015 onderzocht en in zijn rapport uiteengezet dat er in vergelijking met de eerdere WIA-beoordeling geen sprake is van toegenomen beperkingen en dat de FML van 16 augustus 2011 geen aanvulling met forsere beperkingen voor voetbelastende activiteiten behoeft.

2.1.

Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank in de ZW-zaak geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht en dat uit de door appellante in beroep ingebrachte stukken niet volgt dat de uitkomst van dit onderzoek onjuist is. Volgens de rechtbank heeft het Uwv terecht besloten de ZW-uitkering van appellante per 24 maart 2014 te beëindigen. Het beroep is ongegrond verklaard.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak 2 is ook het beroep in de WIA-zaak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er op 25 juni 2015 een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden, waarbij alle beschikbare medische informatie is betrokken, en dat appellante haar stelling dat sprake is van toegenomen beperkingen niet met medische gegevens heeft onderbouwd.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 aangevoerd dat haar klachten aan het bewegingsapparaat zijn onderschat en dat zij met haar pijnklachten ook energetisch beperkt is.

3.2.

In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 heeft appellante aangevoerd dat voor haar voet- en hielklachten lange tijd een onjuiste en onvolledige diagnose is gesteld en dat haar schouderklachten achteraf bezien niet het gevolg zijn van fibromyalgie, maar van een slijmbeursontsteking of impingement.

3.3.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In de ZW-zaak (14/6889)

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in het geval van appellante in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

De functie van assistent consultatiebureau is één van de functies die bij de

WIA-beoordeling in 2011 voor appellante geschikt zijn bevonden. Appellante heeft geen recht meer op ZW-uitkering met ingang van 24 maart 2014 als vaststaat dat zij op die datum, ondanks haar klachten en vastgestelde beperkingen voor het verrichten van arbeid, geschikt is voor werk als assistent consultatiebureau.

4.3.

Het oordeel dat de rechtbank over de geschiktheid van appellante voor de functie van assistent consultatiebureau heeft gegeven, wordt onderschreven. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die aan de bevindingen van de verzekeringsartsen van het Uwv en het oordeel van de rechtbank over die bevindingen doen twijfelen. De stellingen van appellante dat haar klachten zijn onderschat en dat zij als gevolg van haar pijnklachten niet voltijds zou kunnen werken, vinden in de beschikbare medische informatie geen onderbouwing.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 niet slaagt. Deze uitspraak zal worden bevestigd.

In de WIA-zaak (16/1197)

4.5.

Op grond van de artikelen 48, eerste lid, aanhef en onder b, en 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA ontstaat voor de verzekerde, die na afloop van de wachttijd van 104 weken geen recht had op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, alsnog recht op een IVA- of een WGA-uitkering met ingang van de dag waarop hij volledig en duurzaam dan wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en die arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij tijdens de wachttijd ongeschikt was voor het verrichten van zijn arbeid.

4.6.

Met ingang van 7 januari 2014 heeft meer of andere beperkingen voor het verrichten van arbeid dan bij de WIA-beoordeling in 2011 zijn vastgesteld, die beperkingen eenzelfde medische oorzaak hebben en vervolgens een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35% of meer wordt berekend.

4.7.

Uit een rapport van een verzekeringsarts van 16 augustus 2011 en uit een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 februari 2012 blijkt dat in 2011 beperkingen zijn aangenomen in verband met de rugklachten van appellante, het syndroom van Tietze en haar klachten van de linkerpols. Van voet- en hielklachten was toen nog geen sprake.

4.8.

De behandelend orthopedisch chirurg heeft in een brief van 27 februari 2015 verklaard dat de schouderklachten appellante vooralsnog niet geschikt doen zijn voor werk met een zware belasting boven schouderhoogte. In zijn rapport van 11 augustus 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteengezet dat de schouderklachten vanaf begin 2015 tot het aannemen van meer beperkingen zouden kunnen leiden, maar dat niet is gebleken van een grond voor het toevoegen van beperkingen aan de FML per 7 januari 2014.

4.9.

Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die twijfel oproepen aan de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van toegenomen beperkingen op 7 januari 2014 geen sprake was en dat appellante per die datum niet alsnog voor een WIA-uitkering in aanmerking komt.

4.10.

Uit 4.5 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 niet slaagt. Ook deze uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM