Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2990

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
10-08-2016
Zaaknummer
14/2648 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering toeslag. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/2648 TW

Datum uitspraak: 10 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 9 april 2014, 13/1944 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J.T.J. Meeuwissen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2015. Appellante was vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en appellante in de gelegenheid gesteld om nadere stukken in te dienen.

Appellante heeft stukken ingediend. Hierop is door het Uwv gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft het Uwv de toeslag die appellante ontving ingevolge de Toeslagenwet (TW) per 1 februari 2011 verlaagd en per 1 november 2012 beëindigd.

1.2.

Bij besluit van 7 februari 2013 heeft het Uwv een bedrag van € 6.318,38 (bruto) van appellante teruggevorderd.

2. Bij besluit van 13 mei 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar gericht tegen de besluiten van 4 en 7 februari 2013 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is – kort samengevat – overwogen dat tegen de besluiten van 4 en 7 februari 2013 tijdig bezwaar is gemaakt en er aldus geen grond is voor het aannemen van een gebrek in de besluitvorming van het Uwv. De berekening van de loonheffing is op juiste wijze geschied en appellante kan zich tot de belastingdienst wenden om een eventueel netto-bruto verschil terug te vragen. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht geen dringende reden heeft gezien om van terugvordering af te zien.

4.1.1.

Appellante heeft in hoger beroep de gronden van het beroep – in essentie – herhaald. Ze blijft van mening dat ze de besluiten van 4 en 7 februari 2013 niet heeft ontvangen, dat er te laat een specificatie van de berekening van het teruggevorderde bedrag is gegeven en dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.

4.1.2.

Het onderzoek ter zitting is geschorst, teneinde appellante in de gelegenheid te stellen nader te onderbouwen dat er dringende redenen zijn om van herziening en terugvordering af te zien. Hiertoe heeft appellante een groot aantal medische stukken ingediend, waaronder het complete patiëntendossier van de huisarts, een medisch advies van 1 oktober 2010 van verzekeringsarts RGA A.T.C. Ouwhand, de beantwoording van een vraagstelling van arts/medisch adviseur R.A.C. Verheijen, een rapport van psycholoog L. Chang van

22 februari 2010, een arbeidskundig onderzoek van arbeidsdeskundige A. Mewiss van

20 september 2010 en een brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van

3 april 2014 aan de echtgenoot van appellante waarin staat hij Nederland onmiddellijk dient te verlaten.

4.1.3.

Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Stcrt. 2006, 230, laatstelijk gewijzigd met ingang van 14 juli 2011, Stcrt. 2011, 12553, verder: Beleidsregels) niet juist zijn toegepast door het Uwv. Volgens appellante kon het haar, omdat zij zeer zwak psychisch en sociaal in het leven stond, pas redelijkerwijs duidelijk zijn dat zij geen recht meer had op een toeslag toen zij hierop in januari 2013 werd gewezen door haar gemachtigde.

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 juli 2015 heeft het Uwv zich verder op het standpunt gesteld dat in de door appellante ingebrachte medische stukken geen dringende reden is gelegen om af te zien van de herziening dan wel van de terugvordering.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

5.2.1.

Op grond van artikel 11a, tweede lid, van de TW kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig, besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

5.2.2.

Met toepassing van de Beleidsregels ziet het Uwv ook in gevallen waarin dringende redenen in de zin van de wet niet aanwezig zijn, af van intrekking of herziening met terugwerkende kracht indien het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. De Beleidsregels van het Uwv moeten worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. De bestuursrechter aanvaardt de aanwezigheid en de toepassing ervan als een gegeven en toetst of de Beleidsregels op consistente wijze zijn toegepast.

5.2.3.

Op grond van artikel 20 van de TW is het Uwv verplicht om onverschuldigd betaalde toeslag terug te vorderen. Daarvan kan geheel of gedeeltelijk worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Uit vaste rechtspraak van de Raad vloeit voort dat slechts van een dringende reden kan worden gesproken als de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties heeft voor de betrokkene.

5.3.

Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 17 juli 2015 terecht opmerkt, blijkt uit de overgelegde (medische) stukken weliswaar dat appellante veel klachten ervaart door haar gezondheid, maar dat ernstige aandoeningen tot op heden niet zijn vastgesteld. In dit rapport onderkent deze verzekeringsarts dat appellante nooit een makkelijk leven heeft gehad en dat ze dit nog steeds niet heeft, maar objectief gezien is er geen sprake van een slechte gezondheid. Uit het huisartsjournaal blijkt ook geen duidelijke verslechtering. De frequentie van bezoeken aan de huisarts en de tijdens deze consulten besproken problemen zijn al jaren ongeveer hetzelfde gebleven, zowel voor als na de terugvordering. Ter zitting is weliswaar aangevoerd dat appellante een zelfmoordpoging heeft willen doen, maar zij heeft dit – ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – in het geheel niet nader toegelicht. Niet gebleken is van opname dan wel (psychiatrische) begeleiding naar aanleiding van deze gebeurtenis. De conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat de gezondheid van appellante niet zodanig slecht is dat er dringende redenen zijn om van herziening en terugvordering af te zien, dan wel dat er een verslechtering te verwachten is vanwege die terugvordering, wordt dan ook onderschreven.

5.4.

Verder geldt dat het appellante van meet af aan redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat haar ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Zoals uit het hiervoor overwogene volgt, kan uit de medische stukken niet worden afgeleid dat zij dusdanig “zwak psychisch en sociaal” in het leven stond, dat haar dit pas duidelijk kon zijn op het moment dat zij hierop werd gewezen door haar gemachtigde.

6. Uit wat in 5.1 tot en met 5.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.T. van den Corput als voorzitter en C.C.W. Lange en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2016.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) R.L. Rijnen

GdJ