Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2977

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2016
Datum publicatie
09-08-2016
Zaaknummer
13/2677 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van. Einduitspraak na tussenuitspraak. De Raad oordeelt dat met de nadere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het bij de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2677 WAJONG

Datum uitspraak: 5 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

10 april 2013, 11/3146 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie, hierna: de Staat)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 8 mei 2015 een tussenuitspraak gedaan, ECLI:NL:CRVB:2015:1466.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 23 december 2015 rapporten ingediend van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gedateerd 18 september 2015 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, gedateerd 27 november 2015.

Bij brief van 19 januari 2016 heeft mr. N.J. Brouwer de zienswijze van appellant naar voren gebracht.

Hierop heeft het Uwv gereageerd met een nader rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 februari 2016.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108 van de Awb, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 8 mei 2015 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.

1.2.

Bij de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat appellant met de brief van 15 april 2010 heeft beoogd dat wordt teruggekomen van het besluit van 9 december 2009, waarbij zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) van 4 november 2009 is afgewezen, omdat hij geen jonggehandicapte in de zin van de Wajong 1998 was. De inhoud van de bij de aanvraag van 15 april 2010 gevoegde brief van PsyQ van 23 maart 2010 dient als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb te worden aangemerkt, omdat met de hierin gestelde voorlopige diagnose van aandachtstekortstoornis/AD(H)D, overwegend onoplettend type, duidelijk is geworden dat aan de destijds, in 2009, door het Uwv vastgestelde gedragsproblematiek (tevens) een psychiatrische stoornis ten grondslag ligt, die destijds niet bekend was. De Raad heeft overwogen dat het bestreden besluit van 5 augustus 2011 niet op een deugdelijke motivering berust, omdat hierbij het standpunt was ingenomen dat terecht toepassing was gegeven aan artikel 4:6, tweede lid van de Awb aangezien geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van dit artikel. Het Uwv is vervolgens opgedragen het vastgestelde gebrek in het bestreden besluit te herstellen op basis van het nieuwe feit van de psychiatrische diagnose van AD(H)D.

1.3.

Het Uwv heeft hierop onderzoek laten verrichten door een verzekeringsarts bezwaar en beroep die niet eerder bij de zaak betrokken is geweest. Deze heeft, op basis van de dossiergegevens en op basis van de bevindingen tijdens de hoorzitting met appellant op

14 september 2015 met aansluitend een lichamelijk onderzoek, bij rapport van 18 september 2015 een aantal beperkingen vastgesteld ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant wegens de aandoening aandachtstekortstoornis, overwegend onoplettend type. Hiertoe is een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, gedateerd 22 september 2015, die van toepassing is op de 17-de en 18-de verjaardag van appellant. Vervolgens is een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingeschakeld die bij rapport van

27 november 2015 te kennen heeft gegeven dat appellant in staat moet worden geacht om zowel op [datum] 2004 (17-de verjaardag) als op [datum] 2005 (18-de verjaardag) minimaal het minimumjeugdloon te verdienen met de geselecteerde functies van inpakker afvulafdeling, pakketteerder en productiemedewerker machinaal inpakken. Appellant kon dus niet als jonggehandicapte worden aangemerkt in de zin van de Wajong 1998. Nu bij het bestreden besluit van 5 augustus 2011 het standpunt was ingenomen dat er geen sprake was van feiten of omstandigheden die ertoe noopten om terug te komen van het eerdere besluit van

9 december 2009, heeft het Uwv het bestreden besluit gehandhaafd.

2. Appellant heeft hierop aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen zoals hij deze ondervindt in een werksetting. Appellant heeft zich tijdens het relatief korte gesprek met de verzekeringsarts bezwaar en beroep sociaal wenselijk (kunnen) gedragen, wat een vertekend beeld geeft van zijn gedrag in een werksituatie, waarbij hij ernstig beperkt is wegens de psychiatrische aandoening AD(H)D. Met name voor vasthouden en verdelen van de aandacht, inzicht in eigen kunnen, herinneren, zelfstandig en doelmatig handelen en uiten van eigen gevoelens zijn de beperkingen onderschat. Ook is er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat appellant wegens zijn aandoening niet in staat is om op tijd te komen en afspraken na te komen. Ter onderbouwing heeft appellant hiertoe gewezen op de verschillende mislukte studies en de vele, kortdurende, baantjes waaraan hij is begonnen, maar die hij niet heeft weten vol te houden wegens de aandoening. Voorts heeft hij aangevoerd dat de geselecteerde functies niet geschikt voor hem zijn, omdat het productiefuncties op zeer laag niveau betreft, wat, wegens de aandoening, juist verslapping van de aandacht, afleiding, desinteresse en demotivatie in de hand werkt, met alle negatieve gevolgen vandien. Verder heeft appellant erop gewezen dat, zoals ter zitting van de Raad is vastgesteld, hij sinds zijn achttiende jaar schoolgaand is geweest. Ten onrechte heeft het Uwv dan ook de 17-de en 18-de verjaardag van appellant als beoordelingsdata genomen en de rapporten van Jeugdzorg die uit die periode dateren als uitgangspunt genomen. Het Uwv had ook de studieperiode van appellant moeten betrekken bij de beoordeling. Ten slotte heeft appellant schadevergoeding gevorderd wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.2.

Appellant heeft op 4 november 2009 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering wegens vóór zijn 17-de jaar ontstane ziekte of handicap, met als bijlagen rapportages van Bureau Jeugdzorg, van in januari 2004, december 2005 en januari 2006 bij hem verrichte psychologische onderzoeken. Bij besluit van 9 december 2009 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellant geen jonggehandicapte is in de zin van de Wajong 1998. Bij brief van 15 april 2010, welke brief naar het oordeel van de Raad, blijkens overweging 3.2 van de tussenuitspraak, terecht is aangemerkt als verzoek om terug te komen van het besluit van

9 december 2009, heeft appellant, onder verwijzing naar de bijgevoegde brief van PsyQ van 23 maart 2010, gesteld dat uit deze brief blijkt dat bij hem de diagnose AD(H)D, onoplettende type, is gesteld. Tijdens de hierop volgende bezwaar- en beroepsprocedure heeft de focus altijd gelegen op de 17-de en 18-de verjaardag van appellant, wat ook logisch te verklaren valt omdat de gestelde diagnose een ontwikkelingsstoornis is en uit de stukken blijkt dat appellant al ruim vóór zijn zeventiende (gedrags-)problemen had, waarvoor hij in 2002, toen hij 15 jaar was, bij Bureau Jeugdzorg werd aangemeld. Een verslechtering van de situatie op een bepaald moment na de 18-de verjaardag van appellant is gesteld noch gebleken. Terecht heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook bij rapport van 18 september 2015 de functionele mogelijkheden van appellant beoordeeld op data in geding van [datum] 2004 en [datum] 2005, waarbij hij zich met name heeft gebaseerd op de rapporten van Bureau Jeugdzorg daterend uit 2004 en 2005, bezien in het licht van de nieuwe diagnose van AD(H)D. Appellant kan niet worden gevolgd in de in hoger beroep aangevoerde grond dat het Uwv ten onrechte de studieperiode niet bij de beoordeling heeft betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van deze rapporten van Bureau Jeugdzorg, de bevindingen na de hoorzitting en het spreekuur op 14 september 2015, een FML opgesteld, gedateerd 22 september 2015. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is overtuigend en consistent gemotiveerd dat appellant destijds op de data in geding beperkingen ondervond wegens AD(H)D en dat met name structuur en begeleiding tijdens het werk voor hem noodzakelijk zijn, en duidelijke opdrachten, maar dat er geen medische noodzaak is voor een beperking ten aanzien van vasthouden en verdelen van de aandacht. Appellant heeft aangevoerd dat bij de FML zijn beperkingen zijn onderschat, maar heeft dit niet met medische stukken onderbouwd. Voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling is dan ook geen grond.

3.3.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij rapport van 27 november 2015 afdoende gemotiveerd dat de voorgehouden functies van inpakker afvulafdeling, pakketteerder en productiemedewerker machinaal inpakken geschikt zijn te achten voor appellant. De functies kennen afdoende structuur, er is sprake van een voorspelbare werksituatie zonder veelvuldige storingen of onderbrekingen of afleiding door activiteiten van anderen en appellant kan bij veranderingen in de werkzaamheden of problemen op de werkvloer hulp aangeboden krijgen of vragen aan een collega of leidinggevend op de werkvloer. In het kader van de Wajong 1998 wordt bij het vaststellen van de theoretische verdiencapaciteit alle algemeen geaccepteerde arbeid in aanmerking genomen waartoe appellant, gelet op zijn functionele mogelijkheden, in staat wordt geacht. Nu in de FML niet is opgenomen dat appellant slechts werk kan doen dat aansluit bij zijn opleidingsniveau of interesses, treft het argument van appellant dat werkzaamheden in de geselecteerde functies niet passen bij zijn opleidingsniveau, hetgeen verslapping van de aandacht, afleiding, desinteresse en demotivatie in de hand werkt, geen doel.

3.4.

Gelet op de overwegingen 3.2 en 3.3. is de Raad van oordeel dat met de nadere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het bij de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld. Er heeft een inhoudelijke beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wajong 1998, op basis van het nieuwe feit van de diagnose van AD(H)D. Uitgaande van de beperkingen die deze aandoening voor appellant op zijn 17-de en 18-de jaar met zich meebracht, is vastgesteld dat hij met passende arbeid minstens het wettelijk minimumjeugdloon zou kunnen verdienen en dat hij daarom niet kan worden aangemerkt als jonggehandicapte in de zin van artikel 5 van de Wajong 1998. Gelet op de tussenuitspraak van de Raad dient het bestreden besluit te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep ongegrond was verklaard. Nu met de nadere motivering in hoger beroep het geconstateerde gebrek is hersteld, is er aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Het hoger beroep slaagt dan ook in zoverre, dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, evenals het bestreden besluit, doch onder de bepaling dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

3.5.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

3.6.1.

Of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.

3.6.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

3.6.3.

In een geval als dit, waarin pas na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend, tenzij er in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd. In dat geval komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, voor rekening van de Staat (uitspraak van 7 maart 2014, ECLI:Nl:CRVB:2014:2978). Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de hogerberoepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.

3.6.4.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op

16 februari 2011 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn

5 jaar en ruim 5 maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met 1 jaar en ruim vijf maanden. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). Dit leidt tot een schadevergoeding van drie maal

€ 500,-, dat is € 1.500,-.Van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken.

3.6.5.

Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar minder dan 6 maanden geduurd. De periode vanaf de ontvangst door de rechtbank op 15 september 2011 van het beroepschrift van appellant tot de tussenuitspraak van de Raad van 8 mei 2015 heeft drie jaar en bijna acht maanden in beslag genomen, dus meer dan drie en een half jaar. Vervolgens heeft de Raad binnen een jaar na ontvangst van de mededeling van het Uwv op 23 december 2015 van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak gedaan. Dit betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van de Staat komt. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 500,- en het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 1.000,-.

3.7.

Van (andere) door appellant geleden schade ten gevolge van de onrechtmatige besluitvorming van het Uwv is de Raad niet gebleken.

3.8.

Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant wegens verleende bijstand door een professioneel rechtsbijstandsverlener. Deze kosten worden begroot op een bedrag van € 496,- in bezwaar, eveneens € 496,- in beroep en € 1.240,- in hoger beroep, in totaal € 2.232,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit volledig in stand blijven;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan betrokkene van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.232,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv de door appellant betaalde griffierechten à € 159,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2016.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) R.I. Troelstra

NK