Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2016
Datum publicatie
10-08-2016
Zaaknummer
14/5226 WSW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een indicatie op grond van de Wsw. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5226 WSW

Datum uitspraak: 5 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
6 augustus 2014, 14/1604 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L.M. van Rookhuizen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2016. Deze zaak is gevoegd behandeld met de zaken 14/5225 WIA en 14/5265 WIA. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Voorn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers. In deze zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft op 25 maart 2013 een aanvraag gedaan voor een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw).

1.2.

Bij de beoordeling van de aanvraag is het rapport van de verzekeringsarts en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 april 2013 betrokken. Daarnaast heeft een werkcoach van het Uwv onderzoek verricht naar de beperkingen van appellante om arbeid te verrichten en hierover op 22 juli 2013 gerapporteerd. Bij besluit van 22 juli 2013 heeft het Uwv afwijzend beslist op de aanvraag van appellante.

1.3.

Appellante heeft daar op 16 augustus 2013 bezwaar tegen gemaakt. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuw medisch onderzoek verricht en hierover op 6 december 2013 en 16 januari 2014 gerapporteerd. Ook een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv heeft opnieuw onderzoek verricht en hierover op 20 januari 2014 gerapporteerd. Bij besluit van 21 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 22 juli 2013 gehandhaafd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellante niet tot de doelgroep van de WSW behoort. Appellante is volgens het Uwv in staat om met en ondanks haar beperkingen in het vrije bedrijf te werken.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft gemotiveerd hoger beroep ingesteld en daarbij verwezen naar een brief van 25 november 2013 van de revalidatiearts.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1

Het standpunt van het Uwv berust onder meer op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 december 2013 en 16 januari 2014 en op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 januari 2014. Naar aanleiding van deze rapporten is geoordeeld dat de belastbaarheid van appellante zoals vermeld in de FML van
15 april 2013, juist is weergegeven. Uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat die arts het oordeel van de behandelend revalidatiearts als weergegeven in de brief van 25 november 2013, inhoudende dat appellante ieder half uur tot één uur even dient te ontspannen, onderschrijft. Deze rustmomenten kunnen binnen een reguliere functie plaatsvinden. De rechtbank kan daarom worden gevolgd in haar oordeel dat appellante in staat moet worden geacht om arbeid op de reguliere arbeidsmarkt te verrichten. In het kader van de beoordeling van het recht van appellante op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen zijn ook voorbeelden van dergelijke functies aan appellante voorgehouden. Hierbij is van belang dat tot de doelgroep van de WSW, ingevolge artikel 1, eerste lid van de WSW, alleen personen behoren die door lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn.

4.2.

Terecht komt de rechtbank voorts tot het oordeel dat geen aanknopingspunten bestaan om aan te nemen dat de bevindingen van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundige van het Uwv op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen of onjuist zijn. Door appellante is ook geen informatie overgelegd die een ander licht werpt op de bij haar bestaande lichamelijke beperkingen.

4.3.

Gelet op het voorgaande is het Uwv terecht tot de conclusie gekomen dat appellante weliswaar beperkingen heeft bij het verrichten van arbeid, maar niet in die mate dat zij uitsluitend is aangewezen op werkzaamheden in WSW-verband.

4.4.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade is geen plaats.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2016.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) N. Veenstra

GdJ