Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2974

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
13/891 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meldingen en aangifte van bedreiging met een vuurwapen tegen beter weten in en in strijd met de waarheid gedaan vormen objectief dringende reden voor ontslag. Ernst van de beschuldigingen zijn van belang vanwege de veelheid aan consequenties. Werkgever voldoende voortvarend gehandeld. Overige omstandigheden. De in november 2015 overgelegde medische stukken van de GGZ hebben geen betrekking op medische situatie in 2009. Geen voordeel van de twijfel zoals Uwv. Bestreden besluit 2 deels vernietigd. Appellant terecht aangevoerd dat Uwv gehouden is werkloosheid zelfstandig te onderzoeken. Uwv niet volstaan met overnemen oordeel kantonrechter, onvoldoende zorgvuldig onderzoek. Uwv veroordeeld in proceskosten appellant en werkgeefster.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Werkloosheidswet 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0851
USZ 2016/287

Uitspraak

13/891 WW, 16/1499 WW, 16/1865 WW

Datum uitspraak: 3 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 december 2012, 12/1572 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[werkgeefster] te [vestigingsplaats] (werkgeefster)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. J.B.M. Swart, advocaat, aanvullende gronden ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Werkgeefster heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Op verzoek van de Raad hebben appellant en werkgeefster nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Swart. Voor het Uwv is verschenen mr. A.J.G. Lindeman. Werkgeefster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.J. Bouman, advocaat.

Het onderzoek is heropend omdat het niet volledig is geweest.

Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord, waarna appellant en werkgeefster hebben gereageerd.

Appellant heeft nadere stukken ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 16 december 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Swart. Voor het Uwv is verschenen mr. Lindeman. Werkgeefster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bouman en [naam A] .

Werkgeefster heeft vervolgens een nader stuk ingediend.

Het Uwv heeft op 28 januari 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellant en werkgeefster hebben hierop gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was vanaf 2 september 2002 werkzaam bij werkgeefster in de functie van buschauffeur.

1.2.

Appellant is bij brief van 22 april 2009 geschorst in afwachting van de resultaten van een onderzoek naar zijn betrokkenheid bij een incident dat plaatsvond op dinsdag 21 april 2009. Bij beschikking van 3 augustus 2009 (ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ5232) heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van de dag na die waarop de beschikking is uitgesproken. De kantonrechter heeft onder meer overwogen dat appellant tegen beter weten in en in strijd met de waarheid meldingen en aangifte heeft gedaan van bedreiging en bedreiging met een vuurwapen. De kantonrechter heeft deze meldingen en aangifte door appellant aangemerkt als een dringende reden als bedoeld in artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

1.3.

Bij besluit van 25 juli 2011 heeft het Uwv appellant met ingang van 14 januari 2011 een voorschot verstrekt op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Een definitieve beslissing op de aanvraag zou niet kunnen worden genomen, omdat appellant in beroep zou zijn gegaan tegen de beschikking van de kantonrechter.

1.4.

Werkgeefster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 juli 2011. Bij beslissing op bezwaar van 1 december 2011 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard. Het Uwv heeft vastgesteld dat het niet mogelijk is om in hoger beroep te gaan tegen een beschikking van de kantonrechter, tenzij fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden of artikel 7:685 van het BW ten onrechte wel of niet is toegepast. Er had definitief beslist kunnen worden op de aanvraag, zodat ten onrechte een WW-uitkering is verstrekt op basis van voorschotten.

1.5.

Bij besluit van 19 december 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf

5 augustus 2009 recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze uitkering niet tot uitbetaling komt omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden (weigeringsbesluit).

1.6.

Bij een tweede besluit van 19 december 2011 heeft het Uwv het voorschot over de periode van 10 januari 2011 tot en met 11 december 2011 ingetrokken en een bedrag van in totaal € 21.711,80 aan verstrekt voorschot van appellant teruggevorderd (intrekkings- en terugvorderingsbesluit).

1.7.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 19 december 2011. Bij beslissing op bezwaar van 13 juli 2012 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 19 december 2011 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv had appellant moeten begrijpen dat werkgeefster zijn handelwijze, het tegen beter weten in en in strijd met de waarheid doen van meldingen en aangifte van bedreiging met een vuurwapen door een viertal passagiers, niet zou accepteren. Het niet nakomen van de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen is appellant in overwegende mate te verwijten, om welke reden de WW-uitkering blijvend geheel diende te worden geweigerd. Het Uwv heeft er voorts op gewezen dat het op grond van artikel 36 van de WW verplicht is de onverschuldigd betaalde WW-uitkering terug te vorderen. Van een dringende reden om van terugvordering af te zien, is het Uwv niet gebleken.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de kantonrechter in de beschikking van 3 augustus 2009 een uitvoerige omschrijving heeft opgenomen van wat te zien is op de camerabeelden die van het incident zijn gemaakt, bij de beantwoording van de vraag of appellant grond had om zich bedreigd te voelen expliciet rekening heeft gehouden met het feit dat de beleving van de gebeurtenis anders is voor iemand die erbij aanwezig is geweest dan voor iemand die achteraf de beelden uitkijkt, en gemotiveerd heeft overwogen waarom hij van oordeel is dat appellant geen grond had zich bedreigd te voelen en waarom diens handelwijze aangemerkt moest worden als een dringende reden voor ontslag. Gelet op het bovengenoemde was de rechtbank van oordeel dat het Uwv niet gehouden was zelf nader onderzoek te doen naar de gang van zaken tijdens het incident. De rechtbank heeft voorts bij haar oordeel betrokken dat uit het verweerschrift blijkt dat het Uwv een eigen afweging heeft gemaakt ten aanzien van de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid. Daarbij is de beslissing van de kantonrechter weliswaar betrokken, maar deze is niet de enige grondslag geweest voor bestreden besluit 1. Ook de inhoud van de beschikking van de kantonrechter, de verklaringen van appellant zelf en het bezwaarschrift van de werkgeefster zijn meegewogen. De rechtbank heeft kennis genomen van deze stukken en is met het Uwv van oordeel dat deze de conclusie kunnen dragen dat appellant wegens dringende redenen is ontslagen en daarom verwijtbaar werkloos is geworden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat hij hetgeen is voorgevallen, heeft ingeschat als een bedreiging, zodat geen sprake is geweest van een valse aangifte. Nu als gevolg van het feit dat de camera in de bus een dode hoek heeft niet alles op de beelden is vastgelegd, staat niet vast wat er is gebeurd. Volgens appellant heeft zich meer voorgedaan dan wat op de camerabeelden zichtbaar is. Dit brengt met zich dat niet kan worden geconcludeerd dat appellant een dringende reden heeft veroorzaakt. Appellant heeft benadrukt dat hij door de politierechter is vrijgesproken van het doen van een valse aangifte, wat moet meewegen in de beoordeling of sprake is van een objectief dringende reden. Volgens appellant heeft het Uwv niet mogen volstaan met het acht slaan op de beschikking van de kantonrechter, maar had het een eigen onderzoek moeten instellen. De kantonrechter heeft volgens appellant bovendien miskend dat het doen van aangifte bij bedreiging nu juist één van de taken van een buschauffeur is. Appellant heeft er voorts op gewezen dat hij na schorsing gewoon ingeroosterd is voor werk, zodat het de dringende reden aan subjectiviteit ontbreekt. Bovendien is geen rekening gehouden met de leeftijd van appellant, de wijze van functievervulling, de lengte van het dienstverband en de relatie met de Marokkaanse lijnmanager.

3.2.

Het Uwv en werkgeefster hebben het standpunt van appellant bestreden. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat sprake was van een dringende reden en dat voldoende voortvarend is gehandeld door werkgeefster.

3.3.

Bij besluit van 28 januari 2016 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard en het eerdere standpunt herzien. Volgens het Uwv is appellant wel verwijtbaar werkloos geworden, maar kan hem dit niet in overwegende mate worden verweten. Gelet op het bepaalde in artikel 35 van de WW kan de WW-uitkering niet worden betaald over de periode voor 10 januari 2011, zodat de maatregel geen gevolgen heeft voor de betaling van de WW-uitkering vanaf 10 januari 2011. Het Uwv heeft daarnaast het in 1.6 genoemde intrekkings- en terugvorderingsbesluit herroepen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vastgesteld wordt dat bestreden besluit 2 niet geheel tegemoetkomt aan het beroep van appellant. Ook werkgeefster heeft gemotiveerd uiteengezet zich niet met bestreden besluit 2 te kunnen verenigen. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt het beroep van appellant geacht (mede) gericht te zijn tegen bestreden besluit 2 en wordt werkgeefster geacht van rechtswege beroep te hebben ingesteld tegen dat besluit. Bestreden besluit 2 wordt om die reden in de beoordeling betrokken. Werkgeefster heeft tegen de herroeping van het intrekkings- en terugvorderingsbesluit geen gronden aangevoerd, zodat dit aspect niet in de beoordeling wordt betrokken.

Ten aanzien van bestreden besluit 2

4.2.

De Raad ziet aanleiding eerst bestreden besluit 2 te beoordelen.

4.3.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het BW en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Of sprake is van zo’n dringende reden moet worden beoordeeld volgens de maatstaven van het arbeidsovereenkomstenrecht (zie o.a. CRvB 15 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8713). Als de werknemer de verplichting om werkloosheid te voorkomen niet is nagekomen, weigert het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.4.

Appellant wordt door het Uwv verweten dat hij tegen beter weten in en in strijd met de waarheid meldingen en aangifte heeft gedaan van bedreiging met een vuurwapen door een viertal passagiers.

4.5.

Uit de op 19 november 2014 ter zitting afgespeelde camera- en geluidsopnamen is gebleken dat appellant tijdens zijn dienst door een jonge man is aangesproken. Deze man zat samen met drie leeftijdgenoten op een bankje buiten bij de bushalte, dat stond tegenover de geopende deur van de bus van appellant.

Tussen de mannen en appellant is het volgende voorgevallen:

Man 1: “Hé kale, alles goed?”

Appellant: “Heb jij naar je eigen gekeken?”

Man 1: “Zeg je?”

Appellant: “Heb jij naar je eigen gekeken?”

Man 1: “Ah, rij 's effe lekker door en hou je mond.”

Appellant: “Ja.”

Man 2: “Bij hem groeit het. Bij jou niet.”

De mannen lachen.

Appellant: “Ik en m'n mond houden? ja wacht effe, wacht effe.”

Man 1: “Ja, is goed.”

Man 2: (niet te verstaan)

Appellant: “Ben je bijdehand?”

Man 1: “Anders wat? Komt ie d'r uitzetten of zo?”

Man 2: “He, doen, met z'n vieren gaan we vechten.”

Man 3: “Ha ha ha. Hé krijg je vette spierpijn.”

Man 3 (lees: appellant): “Mag ik effe de politie op de lijn?”

De vier mannen bleven gedurende dit gesprek ontspannen op het bankje zitten en namen op geen enkele wijze een dreigende houding aan. Appellant reageerde op het gesprek door contact op te nemen met het Communicatiecentrum Vervoer van het [naam bedrijf] (CCV) met het verzoek om politie in verband met een bedreiging door twee Marokkanen. Nadat de mannen waren opgestaan en – van appellant af – richting een andere bushalte waren gelopen, heeft appellant opnieuw contact opgenomen met het CCV met de mededeling “Ik heb bedreiging Marokkanen. Die stappen nu in de 33 en eentje met een pistoolbeweging”.

4.6.

Diezelfde dag heeft appellant aangifte bij de politie gedaan van bedreiging. Daarbij heeft hij gesteld dat de mannen in zijn richting aan het schelden waren en dat hij heeft gezien dat een van de mannen een vuurwapen tevoorschijn haalde en dit vuurwapen op hem richtte, maar dat hij niet met zekerheid heeft kunnen vaststellen of het om een echt vuurwapen ging of om een nep vuurwapen. Ook na het zien van de camerabeelden heeft appellant tegenover de politie volhard in deze verklaring, die hij ook ter zitting van de Raad heeft volgehouden.

4.7.

De Raad is van enige bedreiging van appellant niet gebleken. In het gesprek dat aan de eerste melding voorafging is door de mannen weliswaar het woord ‘vechten’ gebruikt, maar daar ging geen dreiging van uit. Daarbij is van belang dat het gesprek, ook van de zijde van appellant, op luchtige toon is gevoerd, dat de mannen zich buiten de bus bevonden en dat zij in het geheel geen aanstalten maakten om op te staan van het bankje waarop zij zaten. Ook appellant, die heeft gesteld dat hij Jordanees is en ‘een behoorlijke flapuit’, heeft het gedrag van deze mannen in een gesprek met werkgeefster op 27 april 2009 bestempeld als ‘stoerigheid’.

4.8.

Evenmin is gebleken van een bedreiging door een van de mannen met een vuurwapen, hetgeen aanleiding zou zijn geweest voor de tweede melding bij het CCV. Appellant heeft ter zitting herhaald dat als gevolg van een dode hoek op de camerabeelden niet is te zien dat een van de mannen zich tijdens het weglopen heeft omgedraaid en een schietbeweging heeft gemaakt, terwijl hij een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand had. Appellant had daarbij toegelicht dat de man mogelijk een mobiel met antenne in zijn hand heeft gehouden.

4.9.

Op verzoek van werkgeefster heeft Interseco Investigations B.V. (Interseco) een technisch en een toedrachtsonderzoek gedaan, waarbij onder meer de camerabeelden zijn geanalyseerd. In het van dit onderzoek opgestelde rapport is geconcludeerd dat van het ontbreken van frames (beelden) of een dode hoek geen sprake is. Ook ter zitting van

19 november 2014 is geconstateerd dat de camerabeelden van de beide beveiligingscamera’s van de bus elkaar overlappen, zodat van een dode hoek geen sprake kan zijn geweest, en dat de gedragingen van de mannen geheel zijn vastgelegd. Gebleken is voorts dat de betreffende man, nadat hij van het bankje was opgestaan en in de richting van een andere bushalte liep, met de rug naar appellant was gekeerd en zich op geen enkel moment heeft omgedraaid. Evenmin had deze man op enig moment een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand. Van een bedreiging zoals door appellant is omschreven, is dan ook geen sprake geweest. Uit de omstandigheid dat de vier mannen – die inmiddels in een andere bus waren ingestapt – gebruik hebben gemaakt van de noodknop en zijn weggerend nadat de chauffeur van die andere bus door het CCV was verzocht de bus stil te zetten, de deuren dicht te houden en op assistentie te wachten, kan niet worden afgeleid dat wel sprake is geweest van een bedreigende situatie.

4.10.

Evenals de kantonrechter is de Raad van oordeel dat appellant de meldingen en aangifte van bedreiging met een vuurwapen tegen beter weten in en in strijd met de waarheid heeft gedaan. Deze gedragingen van appellant zijn aan te merken als een objectief dringende reden voor ontslag. Daarbij is de ernst van de beschuldigingen van belang, met name de gestelde bedreiging met een vuurwapen. Het uiten van de beschuldigingen heeft immers niet alleen consequenties gehad voor de vier mannen, die als gevolg daarvan zijn aangehouden en in verzekering zijn gesteld, maar heeft ook tot gevolg gehad dat de hulp van politie onnodig is ingeroepen en dat een groot aantal passagiers onnodig hinder heeft ondervonden. Daarnaast is van belang dat het doen van deze onterechte beschuldigingen gevolgen zou kunnen hebben gehad voor de samenwerking tussen werkgeefster en de politie, die juist tot stand was gekomen ter bestrijding van geweld in het openbaar vervoer. Deze samenwerking hield in dat de politie onmiddellijk zou ingrijpen, wanneer een buschauffeur melding maakt van overlast, zeker wanneer sprake is van enige bedreiging. Voor continuering van deze steun is essentieel dat uitsluitend melding wordt gemaakt van bedreiging indien het ook werkelijk om bedreiging gaat. Werkgeefster heeft er dan ook groot belang bij dat buschauffeurs geen meldingen doen die in strijd zijn met de waarheid. De omstandigheid dat appellant door de strafrechter is vrijgesproken, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het vonnis blijkt immers niet wat voor de strafrechter aanleiding is geweest om appellant vrij te spreken, nu de strafrechter zijn vonnis niet heeft gemotiveerd.

5.1.

Partijen verschillen voorts van mening over de vraag of werkgeefster ten aanzien van het beëindigen van de arbeidsovereenkomst een zodanige voortvarendheid heeft betracht dat aan het ontslag een subjectieve dringende reden ten grondslag ligt. Bij de vraag naar de subjectiviteit van de dringende reden dienen alle omstandigheden van het geval in de beoordeling te worden betrokken.

5.2.

Appellant heeft op dinsdag 21 april 2009 bij het CCV meldingen en bij de politie aangifte gedaan van bedreiging met een vuurwapen door vier mannen van Marokkaanse afkomst. Nadat werkgeefster door de politie was ingelicht over het feit dat appellant mogelijk een valse aangifte van bedreiging had gedaan, omdat op de beschikbare opnamen van beveiligingscamera’s geen vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp zichtbaar zou zijn, is hij door werkgeefster op 22 april 2009 per direct geschorst. Op 27 april 2009 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de lijnmanager, [naam lijnmanager] , de advocaat van werkgeefster, mr. Bouman, de adviseur P&O, [naam adviseur] en appellant. Het verslag van dit gesprek is op

11 mei 2009 definitief vastgesteld. Omdat appellant in dat gesprek naar voren heeft gebracht dat hij wel degelijk is bedreigd, maar dat dat niet te zien is op de camerabeelden omdat daarop een of twee seconden ontbreken en sprake was van een dode hoek, heeft werkgeefster het in 4.9 genoemde onderzoek laten instellen. De opdracht daartoe is op 18 mei 2009 gegeven, nadat eerst was bezien of werkgeefster een dergelijk onderzoek zelf zou kunnen verrichten en vervolgens instemming van de directeur voor een extern onderzoek was verkregen. Op 28 mei 2009 heeft Inteseco een rapport uitgebracht. Bij brief van 3 juni 2009 is appellant bericht dat besloten is een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen. Op 10 juni 2009 heeft mr. G.W. Roeters van Lennep namens werkgeefster een ontbindingsverzoek ingediend. Niet gezegd kan worden dat het tijdsverloop tussen het moment van het voorval en het moment van het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden met zich brengt dat werkgeefster onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat werkgeefster op geen enkel moment te kennen heeft gegeven dat de verweten gedragingen niet als ernstig werden gezien of dat daaraan andere gevolgen zouden worden verbonden dan een ontslag. Bovendien is van belang dat appellant vanaf 22 april 2009 tot het einde van de dienstbetrekking was geschorst en geen werkzaamheden meer heeft verricht voor werkgeefster. Eventuele andere vermeldingen in het rooster doen hieraan niet af. Geconcludeerd wordt dat is voldaan aan de eis van subjectieve dringendheid.

5.3.

De overige omstandigheden, waaronder de leeftijd van appellant, de duur van de dienstbetrekking, de wijze van functievervulling en de relatie met de Marokkaanse lijnmanager geven geen aanleiding voor het oordeel dat geen sprake is geweest van een dringende reden voor ontslag. Dit brengt met zich dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden ten grondslag heeft gelegen. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

6.1.

Tussen partijen is voorts in geschil of appellant van zijn gedraging enig verwijt kan worden gemaakt dan wel of de gedraging hem in overwegende mate kan worden verweten.

6.2.

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat hem geen verwijt treft ten aanzien van de in 4.10 genoemde gedragingen dan wel dat de werkloosheid hem niet in overwegende mate kan worden verweten, verwezen naar een ontslagbrief van GGZ Centraal (GGZ) aan zijn huisarts van 4 september 2015 en naar het behandelingsplan van GGZ van 14 oktober 2015. Hieruit blijkt onder meer dat bij appellant sprake is van een autistische stoornis, zwakbegaafdheid/zwakzinnigheid en trekken van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Melding wordt gemaakt van het feit dat bij appellant bij grote stress de controle over gedrag en emoties te kort schiet, wat zou kunnen leiden tot impulsdoorbraken. Er zou sprake zijn van een gevoeligheid om in stressvolle omstandigheden te reageren met cognitieve verwarring, bizarre zintuiglijke waarnemingen en grootheid(fantasieën). Ook zou er sprake zijn van een gevoeligheid om bij ervaren dreiging of krenking met wantrouwen te reageren.

6.3.

Hoewel niet met volledige zekerheid kan worden uitgesloten dat het incident in 2009 appellant niet volledig kan worden verweten, gelet op zijn medische situatie, vormen de in 6.2 genoemde stukken onvoldoende aanleiding voor het opleggen van een maatregel van 50% gedurende een periode van 26 weken op grond van verminderde verwijtbaarheid. Appellant heeft immers pas op 21 april 2015 melding gedaan van het feit dat er wellicht omstandigheden waren die maken dat de gedragingen hem niet dan wel in mindere mate kunnen worden verweten. Vervolgens heeft hij pas op 10 november 2015 eerdergenoemde medische stukken overgelegd. Deze hebben echter geen betrekking op zijn medische situatie in 2009, maar zien op zijn situatie in 2015. Gelet op het feit dat zich na het incident op 21 april 2009 diverse gebeurtenissen hebben voorgedaan in het privéleven van appellant die van invloed (kunnen) zijn geweest op zijn psychische gesteldheid, zoals het verlies van een uitkering, zijn woning en relatie, is niet uit te sluiten dat zijn psychische situatie in de periode na 21 april 2009 is verslechterd. Ook heeft zowel een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv als een door werkgeefster geraadpleegde psychiater naar voren gebracht dat niet kan worden uitgesloten dat het IQ van appellant in de loop der jaren lager is geworden. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld of de door GGZ beschreven situatie te vergelijken is met de situatie van appellant ruim zes jaar eerder. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts gesteld dat appellant vrijwel zeker ook in 2009 matig begaafd was, maar dat hij desondanks zeker wel wist dat zijn gedragingen niet correct waren. Anders dan het Uwv ziet de Raad geen aanleiding om appellant in dit geval het voordeel van de twijfel te gunnen, nu door zijn toedoen geruime tijd is verstreken en zijn medische situatie ten tijde van het incident daardoor niet meer met voldoende zekerheid is vast te stellen.

6.4.

Het Uwv heeft in bestreden besluit 2 ten onrechte vastgesteld dat appellant de werkloosheid niet in overwegende mate kan worden verweten. Dit betekent dat het beroep van werkgeefster tegen bestreden besluit 2 slaagt. De overige gronden die appellant tegen bestreden besluit 2 naar voren heeft gebracht, behoeven verder geen bespreking.

7.1.

Uit 6.1 tot en met 6.4 volgt dat bestreden besluit 2 moet worden vernietigd, behoudens voor zover daarin het intrekkings- en terugvorderingsbesluit is herroepen. Met de vernietiging van bestreden besluit 2 is ook de intrekking door het Uwv van bestreden besluit 1, voor zover dit ziet op het weigeringsbesluit, vernietigd. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of bestreden besluit 1 in zoverre juist is.

7.2.

Appellant heeft terecht aangevoerd dat het Uwv in dit geval niet heeft mogen volstaan met het overnemen van het oordeel van de kantonrechter. Volgens vaste rechtspraak is het Uwv gehouden zich een eigen oordeel te vormen over de vraag of de aanvrager van een

WW-uitkering verwijtbaar werkloos is geworden. Dat brengt mee dat het Uwv gehouden is zelfstandig te onderzoeken of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag heeft gelegen en of de werknemer ter zake een verwijt te maken is. Het Uwv mag bij de beantwoording van de vraag of de werkloosheid van de werknemer verwijtbaar is te achten, uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, tenzij daarvoor onvoldoende steun wordt gevonden in de stukken dan wel betrokkene twijfel wekt aan de juistheid en volledigheid van die vaststelling. Het Uwv kan bovendien slechts dan bij de toetsing van het al dan niet verwijtbare karakter van de werkloosheid de door de kantonrechter vastgestelde feiten overnemen en een eigen onderzoek achterwege laten, als alle in het kader van die toetsing benodigde feiten uit de in de procedure bij de kantonrechter gewisselde stukken blijken (zie CRvB 21 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK2128).

7.3.

Het Uwv beschikte ten tijde van het nemen van bestreden besluit 1 over de ontbindingsbeschikking, het verweerschrift van appellant in de ontbindingsprocedure en het vonnis van de politierechter. Het Uwv had geen beschikking over het ontbindingsverzoek van werkgeefster, de bijlagen bij dit ontbindingsverzoek en de camerabeelden van het incident. De kantonrechter heeft in de ontbindingsbeschikking weliswaar een gedetailleerde beschrijving gegeven van hetgeen op de camerabeelden is te zien, maar dit brengt niet met zich dat het Uwv kon volstaan met kennisneming van deze beschikking. Appellant heeft immers aangevoerd dat hij wel degelijk is bedreigd en aldus de door de kantonrechter vastgestelde feiten bestreden. Bovendien was appellant bij vonnis van 14 januari 2010 door de politierechter te Amsterdam vrijgesproken van het doen van een valse aangifte. Op zijn minst had van het Uwv mogen worden verwacht positief te reageren op het aanbod van appellant om het beeld- en geluidsmateriaal aan te leveren. Hieruit volgt dat het onderzoek van het Uwv onvoldoende zorgvuldig is geweest. Bestreden besluit 1 wordt daardoor niet gedragen door een deugdelijke motivering en komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd.

7.4.

Omdat uit 4.2 tot en met 6.4 volgt dat het Uwv gehouden was de WW-uitkering van appellant te weigeren met ingang van 5 augustus 2009, omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, is er aanleiding om de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand te laten.

8.1.

Er is tevens aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op een bedrag van € 3.472,-.

8.2.

Het verzoek van werkgeefster om appellant te veroordelen in de proceskosten wordt niet gevolgd. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb kan een natuurlijke persoon slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Hiervan is geen sprake. Wel bestaat er aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van werkgeefster in hoger beroep. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 2.232,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep van werkgeefster tegen het besluit van 28 januari 2016 gegrond en vernietigt dat besluit, behoudens voor zover daarin het intrekkings- en terugvorderingsbesluit is herroepen;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 13 juli 2012 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarin het bezwaar tegen het weigeringsbesluit ongegrond is verklaard;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 13 juli 2012 in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.472,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van werkgeefster tot een bedrag van € 2.232,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M. van Dun als voorzitter en C.C.W. Lange en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2016.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) P. Boer

NK