Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
15/2417 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mede-terugvordering bijstand in verband met verzwegen gezamenlijke huishouding. Twee woonadressen. Geen voldoende grondslag voor de gehele periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2417 WWB

Datum uitspraak: 2 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

3 maart 2015, 14/2217 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Dronkers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dronkers. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

[naam S] (S) ontving sinds 1 januari 1986 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. S stond tot 19 februari 2001 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen) op het adres [Adres A] te [woonplaats] en vanaf die datum op het adres [Adres B], eveneens te [woonplaats] (uitkeringsadressen). Appellant stond sinds 19 augustus 1970 tezamen met zijn moeder en zijn broer ingeschreven op het adres [Adres C] te [Plaatsnaam].

1.2.

Bij besluit van 12 april 2013 heeft het college de algemene en bijzondere bijstand van S over de periode van 15 september 1998 tot en met 28 februari 2013 ingetrokken en de bijstand met ingang van 1 maart 2013 beëindigd. Aan dat besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat S vanaf 15 september 1998 met appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd in haar woningen in [woonplaats] en dit in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet aan het college heeft gemeld. Bij besluit van 16 april 2013 heeft het college de over de periode van 15 september 1998 tot en met 28 februari 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 177.917,90 van S teruggevorderd.

1.3.

Bij besluiten van 26 februari 2014 en 27 februari 2014 heeft het college de bezwaren van S tegen het intrekkingsbesluit en het terugvorderingsbesluit ongegrond verklaard, onder wijziging van de motivering, met dien verstande dat de intrekking en terugvordering worden beperkt tot de periode van 1 januari 2000 tot en met 28 februari 2013. Het college heeft daarbij de hoogte van het terug te vorderen bedrag gehandhaafd op het naar het oordeel van het college juiste bedrag van € 177.917,90. Bij uitspraak van 20 augustus 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:7316, heeft de rechtbank Limburg de beroepen van S tegen de besluiten van 26 februari 2014 en 27 februari 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaringen die appellant en S tijdens verhoren op 12 en 13 maart 2013 hebben afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de overige onderzoeksbevindingen op zichzelf onvoldoende grondslag voor het standpunt van het college dat S en appellant in de gehele van belang zijnde periode een gezamenlijke huishouding voerden. Tegen de uitspraak van 20 augustus 2014 heeft S geen hoger beroep ingesteld.

1.4.

Bij afzonderlijk besluit van 16 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juni 2014 (bestreden besluit), heeft het college het in 1.2 vermelde bedrag van € 177.917,90 mede teruggevorderd van appellant. Het college heeft aan deze besluitvorming ten grondslag gelegd dat gebleken is dat appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met S, dat over de periode van 1 januari 2000 tot en met 28 februari 2013 teveel bijstand is verstrekt en dat appellant hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling daarvan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat doorslaggevende betekenis toekomt aan de verklaringen die S en appellant tijdens de verhoren op 12 en 13 maart 2013 hebben afgelegd, waaruit naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan worden geconcludeerd dan dat zij samen een gezamenlijke huishouding voerden in de in geding zijnde periode. De stelling van appellant dat in het geval feitelijk op twee woonadressen wordt gewoond niet voldaan is aan het vereiste van artikel 3, derde lid, van de WWB van hoofdverblijf in dezelfde woning, heeft de rechtbank verworpen. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat in wat appellant heeft aangevoerd geen dringende redenen zijn gelegen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat appellant hier die persoon is, is vereist dat hij in de periode in geding met S een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB heeft gevoerd.

4.2.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.1.

Ambtshalve overweegt de Raad het volgende. De rechtbank heeft in lijn met eerdere rechtspraak van de Raad overwogen dat het aanhouden van afzonderlijke adressen niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg hoeft te staan, mits aannemelijk is dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken. Naar aanleiding van de beroepsgrond van appellant dat in het geval dat op twee woonadressen daadwerkelijk wordt gewoond niet voldaan is aan het vereiste van artikel 3, derde lid, van de WWB dat personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, heeft de rechtbank, met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 4 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3648, overwogen dat deze opvatting onjuist is.

4.3.2.

Anders dan de Raad in zijn onder 4.3.1 genoemde uitspraak van 4 november 2014, heeft de Hoge Raad in een arrest van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556, inmiddels geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 3, derde lid, van de WWB niet maatgevend is of in feite wordt samengewoond. Volgens de Hoge Raad zal in een geval als dit - waarin sprake is van twee personen aan wie ieder een woning ter beschikking staat en die ieder afwisselend in deze beide woningen verblijven - ten aanzien van ieder afzonderlijk dienen te worden beoordeeld in welke van die woningen hij zijn hoofdverblijf heeft. Deze beoordeling dient volgens de Hoge Raad plaats te vinden op basis van de feitelijke omstandigheden, waarbij het erop aankomt in welke van die woningen zich het zwaartepunt van het persoonlijke leven van de betrokkene bevindt. De Hoge Raad voegt daaraan nog toe dat de mogelijkheid bestaat dat voor ieder van de betrokken personen dit zwaartepunt zich bevindt in de woning van hemzelf, zodat zij hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hebben. Die mogelijkheid bestaat ook indien deze personen het grootste deel van de tijd gezamenlijk doorbrengen, zelfs indien die situatie in feite is te duiden als samenwonen.

4.4.

Appellant heeft zich ter zitting van de Raad op het standpunt gesteld dat hij niet langer betwist dat hij vanaf 2007 een gezamenlijke huishouding met S heeft gevoerd. In dat verband heeft appellant toegelicht dat hij vanaf het moment dat bij S een inbraak is gepleegd in de woning van S heeft verbleven. Appellant heeft daarbij opgemerkt dat deze inbraak op een bij hem niet meer bekende datum in 2007 heeft plaatsgevonden. De Raad stelt vast dat deze toelichting van appellant, behoudens het moment van de inbraak, in overeenstemming is met wat appellant volgens de processen-verbaal eerder heeft verklaard, namelijk dat appellant sinds de inbraak in 2005/2006 ter geruststelling van S bij haar in de woning verbleef, dat appellant na 2005 in de loop der jaren al zijn spullen heeft verhuisd van de

[Adres C] te [Plaatsnaam] naar de woning van S en dat de woning van S in die periode gaandeweg het hoofdverblijf van appellant werd. S heeft verklaard dat zij sinds de inbraak, die zij onder meer in 2007 situeert, niet alleen durfde te zijn. De Raad zal, gelet hierop, alsmede op de bestaande onduidelijkheid over de exacte datum waarop de genoemde inbraak heeft plaatsgevonden en met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil, het aanvangsmoment van de door appellant erkende gezamenlijke huishouding bepalen op

1 januari 2007. Hieruit volgt dat de in dit geding nog te beoordelen periode loopt van

1 januari 2000 tot en met 31 december 2006 (te beoordelen periode).

4.5.1.

De Raad ziet zich, met inachtneming van het onder 4.3.2 weergegeven beoordelingskader, geplaatst voor de vraag of appellant in de te beoordelen periode met S een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Niet betwist is dat S haar hoofdverblijf in die periode had op de uitkeringsadressen. Bepalend voor de vaststelling of sprake was van een gezamenlijke huishouding is dus allereerst of appellant in diezelfde periode eveneens op de uitkeringsadressen zijn hoofdverblijf had. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.2.

Vooropgesteld wordt dat de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding terecht, evenals de rechtbank in de onder 1.3 genoemde uitspraak van 20 augustus 2014 en de aangevallen uitspraak, doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan wat appellant en S blijkens de processen-verbaal van de verhoren op 12 en 13 maart 2013 hebben verklaard. Ook de Raad is van oordeel dat de overige onderzoeksbevindingen, voor zover deze zien op de thans nog te beoordelen periode, ontoereikend zijn voor de conclusie dat appellant met S een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen, in navolging van de rechtbank in de uitspraak van 20 augustus 2014, dat de getuigenverklaringen van buurtbewoners in de omgeving van de woning van appellant niet eenduidig zijn en dat de gegevens van het waterverbruik in de woning van S en in de woning van appellant niet overtuigend zijn.

4.5.3.

Appellant heeft aangevoerd dat in de hier te beoordelen periode geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding reeds omdat in die periode geen sprake was van hoofdverblijf van appellant in de woning van S. Appellant betoogt daartoe dat hij, zoals hij ook tijdens de verhoren op 12 en 13 maart 2013 steeds heeft verklaard, wekelijks maximaal gedurende drie dagen en nachten in de woning van S verbleef en dat S in de weekends van vrijdag tot en met zondag in de woning van appellant verbleef. Deze beroepsgrond slaagt op grond van de volgende overwegingen.

4.5.4.

Appellant en S hebben op 12 en 13 maart 2013 beiden verklaard dat zij sinds de jaren negentig een zogeheten LAT-relatie hebben. S heeft hierover verklaard: “Ik zie John een paar dagen wel en een paar dagen niet, dat versta ik onder een LAT-relatie.” Appellant heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat hij maximaal drie dagen in de week in de woning van S verbleef. Verder hebben appellant en S volgens de processen-verbaal weliswaar beiden verklaard dat zij zeven dagen in de week samen waren, maar heeft appellant tevens verklaard dat de woning van S eerst vanaf 2005 gaandeweg zijn hoofdverblijf is geworden. S heeft verder weliswaar verklaard dat appellant steeds vaker drie á vier dagen bij haar kwam, dat zij in de regel vier dagen per week in de woning van S samen waren en dat hij van maandag tot en met donderdag in [woonplaats] verbleef, maar uit die verklaringen komt niet naar voren vanaf welk moment appellant vier dagen per week bij S is gaan verblijven, wat de duur van die aanwezigheid was en evenmin of en hoe vaak appellant ook de nacht daar doorbracht. Gelet op de hiervoor genoemde door appellant aangebrachte cesuur in 2005 had het op de weg van de ondervragende sociaal rechercheur gelegen hierop door te vragen. Dat is niet gebeurd. Aan het eind van het verhoor heeft appellant weliswaar verklaard dat hij vanaf 1998 met S samenwoonde en heeft S in lijn daarmee verklaard dat appellant vanaf 1998 bij haar is komen wonen, maar onbekend is wat zij destijds bedoelden met ‘samenwonen’ en ‘bij haar is komen wonen’. De bewoordingen en de context van die verklaringen duiden erop dat appellant en S beiden hebben bedoeld daarmee te kennen te geven dat zij zeven dagen per week samen waren, zonder evenwel daarmee prijs te willen geven dat appellant gedurende de week maximaal drie of vier dagen in de woningen van S verbleef. Niet bekend is wat de verhorende sociaal rechercheur in dat kader aan appellant en S heeft meegedeeld. Met name is niet duidelijk of de verhorende sociaal rechercheur daarbij ook aan het begrip ‘hoofdverblijf’ de juiste, onder 4.3.2 weergegeven, betekenis heeft toegekend. Derhalve staat niet vast dat appellant en S enerzijds en de sociaal rechercheur anderzijds destijds hieronder hetzelfde begrepen.

4.5.5.

Uit 4.5.4 volgt dat het college, op wie bij belastende besluiten als hier aan de orde in beginsel de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van appellant zich gedurende de te beoordelen periode in de woning van S bevond en dat appellant en S destijds dus hun hoofdverblijf beiden op de uitkeringsadressen hadden. De vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan, behoeft daarom niet meer te worden beantwoord. Dit betekent dat geen grondslag voor de medeterugvordering van de bijstand van appellant aanwezig was, voor zover het betreft de periode gelegen voor

1 januari 2007. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd.

4.6.

Uit 4.5.5 vloeit voort dat alleen voor wat betreft de periode van 1 januari 2007 tot en met 28 februari 2013 aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was de over die periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen. Het college heeft in zoverre voorts in overeenstemming met zijn beleidsregel tot terugvordering besloten. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college met toepassing van

artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht geheel of ten dele van dat beleid had moeten afwijken.

4.7.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren. Omdat een (mede)terugvorderingsbesluit ondeelbaar is, zal het bestreden besluit in zijn geheel worden vernietigd. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens voorhanden om het nieuwe bedrag van de terugvordering zelf vast te stellen. Nu het nog slechts gaat om een rekenkundige uitwerking ziet de Raad af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot - volledige - finale geschilbeslechting. Het college zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het in 1.4 vermelde besluit van 16 april 2013.

5. Er bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 1.984,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 11 juni 2014;

- draagt het college op met inachtneming van wat onder 4.5.5 tot en met 4.7 is overwogen

opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het onder 1.4 vermelde besluit van 16 april 2013;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.984,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. ter Brugge en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C.A.W. Zijlstra

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD