Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2967

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
09-08-2016
Zaaknummer
15-6320 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van appellants verklaring tijdens het hoorgesprek met Pinkerton en aan de bij dat gesprek gevolgde werkwijze. Niet gebleken dat appellant zijn gedragingen niet toegerekend kunnen worden. Met de rechtbank vindt de Raad de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. 2x eerder gewaarschuwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/171

Uitspraak

15/6320 AW

Datum uitspraak: 4 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

30 juli 2015, 15/1720 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Avalex (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Vis hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vis. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. van Basten Batenburg, advocaat, en T.W. van Genderen.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.

1.1.

Appellant was sinds 1989 werkzaam bij de rechtsvoorganger van het dagelijks bestuur en sinds 2 april 2001 bij het dagelijks bestuur, laatstelijk in de functie van Medewerker Brengstation. Appellant verrichtte zijn werkzaamheden voornamelijk op het Afvalbrengstation [naam] te [plaatsnaam] . Hij werkte daarnaast regelmatig op zaterdagochtend op het Afvalbrengstation [naam 2] (brengstation).

1.2.

Bij besluit van 1 september 2008 heeft appellant een schriftelijke waarschuwing gekregen, omdat hij in strijd met de gedragsregels heeft toegestaan dat een bezoeker van het brengstation goederen van Avalex heeft meegenomen en deze bezoeker zelfs heeft geholpen met inladen van de goederen.

1.3.

Bij brief van 2 december 2011 is aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem een disciplinaire maatregel op te leggen. Appellant is verweten dat hij afval (metalen) heeft achtergehouden, terwijl dit niet is toegestaan. Bij brief van 20 april 2012 heeft het dagelijks bestuur appellant meegedeeld dat hij van het opleggen van een disciplinaire maatregel afziet. Daaraan ligt ten grondslag dat de vermoedens dat appellant betrokken is bij onrechtmatigheden niet door het onderzoek zijn bevestigd.

1.4.

Het dagelijks bestuur heeft appellant vervolgens op 24 april 2012 twee mondelinge waarschuwingen gegeven. Daarbij is appellant te kennen gegeven dat als blijkt dat hij wederom mensen onder druk zet of intimideert hem direct andere werkzaamheden zullen worden opgedragen, en dat als hij in de toekomst zou besluiten spullen te ontvreemden van Avalex of derden en dit feitelijk aantoonbaar is, Avalex direct zal overgaan tot het opleggen van een disciplinaire maatregel.

1.5.

Naar aanleiding van een melding over onregelmatigheden bij het brengstation heeft het dagelijks bestuur aan recherchebureau Pinkerton Investigations BV (Pinkerton) de opdracht gegeven te onderzoeken of de gemelde onregelmatigheden daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en of ten aanzien van deze handelingen sprake is van plichtsverzuim van de betrokken Avalex-medewerkers. Op 15 september 2014 heeft Pinkerton rapport uitgebracht.

1.6.

De conclusie van het onderzoeksrapport luidt dat appellant zich, net als andere medewerkers van Avalex, in strijd met de gedrags- en huishoudregels daadwerkelijk structureel en op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Duidelijk is geworden dat appellant heeft toegelaten dat in ieder geval één burger (H) structureel en op grote schaal ingezameld afval/goederen van waarde in eigendom toebehorende aan Avalex heeft weggenomen. De opbrengsten van de verkoop van de door H weggenomen goederen kwamen deels ten gunste van appellant. Waar H ook betaalde aan medewerkers van Avalex werd dit geld gebruikt voor boodschappen en datgene wat overbleef gedeeld onder de werkzame medewerkers van Avalex, onder wie appellant. Appellant deed dit uit financieel gewin. Ten gevolge van zijn handelen heeft de werkgever een financieel nadeel geleden. Appellant heeft tijdens het hoorgesprek van Pinkerton erkend plichtsverzuim te hebben gepleegd. Het is hem bekend dat andere medewerkers van het brengstation er een overeenkomstige niet toegestane werkwijze op na hebben gehouden.

1.7.

Nadat het dagelijks bestuur een voornemen daartoe kenbaar had gemaakt en appellant zijn zienswijze hierover naar voren had gebracht, heeft het dagelijks bestuur appellant bij besluit van 29 september 2014 op grond van artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) met ingang van 1 oktober 2014 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij het besluit van 29 januari 2015 (bestreden besluit).

1.8.

Het dagelijks bestuur heeft appellant verweten dat hij, ondanks dat hij bekend is met het verbod eigendommen en aangeboden afval mee te nemen van het brengstation, op grove wijze het vertrouwen dat Avalex in hem stelde heeft beschaamd door, op routinematige en stelselmatige wijze, deze regels opzettelijk te schenden en daarbij een aanzienlijk financieel gewin te realiseren. Appellant heeft dit gedaan in samenspanning met zijn collega’s op het brengstation en tenminste één partij die niet in dienst was bij Avalex. Er is aldus sprake van zeer ernstig en opzettelijk plichtsverzuim dat gedurende lange tijd en in vereniging heeft plaatsgevonden, waarbij appellant Avalex grote schade heeft toegebracht. Een en ander heeft geleid tot een onherstelbare vertrouwensbreuk tussen Avalex en appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1.

Appellant heeft betoogd dat het dagelijks bestuur en de rechtbank ten onrechte zijn verklaring tijdens het hoorgesprek met Pinkerton als bewijs hebben aangemerkt van betrokkenheid bij de onregelmatigheden op het brengstation. Daarmee wordt eraan voorbijgegaan dat appellant de verklaring niet heeft ondertekend, omdat deze verklaring onjuist is en niet uit vrije wil is afgelegd. Bovendien is appellant bij het aangaan van het hoorgesprek niet gewezen op de mogelijkheid om niet alle vragen te beantwoorden en is hem niet de gelegenheid geboden het gesprek voor te bereiden en zich hierin door een raadsman te laten bijstaan. Daardoor voelde hij zich geïntimideerd in het gesprek.

3.2.

De Raad kan appellant niet volgen in dit betoog. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van appellants verklaring tijdens het hoorgesprek met Pinkerton en aan de bij dat gesprek gevolgde werkwijze. Daarbij heeft de Raad het volgende van belang geacht.

3.2.1.

Het betreft hier een gedetailleerde en over de hele linie bekennende verklaring die inhoudelijk overeenstemt met de verklaring die door H is afgelegd tijdens diens hoorgesprek. Bij het begin van het gesprek is appellant erop gewezen dat hij niet verplicht was mee te werken aan het onderzoek en het interview van Pinkerton. Niettemin heeft appellant volledig meegewerkt en alle vragen zonder enig voorbehoud beantwoord. Aan het slot van het gesprek is aan appellant gevraagd of hij op- of aanmerkingen had over de wijze waarop het gesprek met hem is gevoerd. Blijkens het verslag heeft hij geantwoord: ”Ik heb hier niets op aan te merken. Het is geen eenzijdig verhaal. Ik weet voor mijzelf waar de fout ligt. Het gesprek heeft op een goede manier plaatsgevonden.” Aansluitend is het opgemaakte gespreksverslag uitgeprint en door appellant gelezen. Deze heeft volgens het verslag meegedeeld dat het gesprek goed is verwoord, maar dat hij het niet wilde ondertekenen, omdat hij zich vanuit zijn ongerustheid nergens aan wil vastleggen.

3.2.2.

Pas achteraf is appellant steeds meer afstand gaan nemen van zijn eerder afgelegde verklaring. Zo heeft hij pas ter zitting van de rechtbank voor het eerst gesteld dat sprake is geweest van intimidatie bij het hoorgesprek. Appellant heeft echter niet aannemelijk kunnen maken hoe dit valt te rijmen met het feit dat nergens uit het hoorverslag blijkt van enige klacht van appellant over de wijze van gespreksvoering of verslaglegging, terwijl hij ook tijdens de bezwaarfase - toen hij werd bijgestaan door een gemachtigde - zich niet heeft beroepen op de ontoelaatbare druk die op hem zou zijn uitgeoefend. Met de rechtbank acht de Raad appellants stellingen over ontoelaatbare druk en onjuiste weergave van zijn verklaring dan ook ongeloofwaardig.

3.3.

Uit de hoorverslagen van appellant en H blijkt dat appellant gedurende lange tijd eraan heeft meegewerkt dat H goederen die eigendom waren van Avalex heeft meegenomen om deze voor eigen gewin te verkopen. Voorts heeft appellant erkend dat H daarvoor wekelijks geldbedragen in de orde van € 30,- of € 40,- achterliet, en dat dit geld deels werd gebruikt om lunches te betalen voor de aanwezige medewerkers en deels werd verdeeld onder de aanwezige medewerkers. Appellant heeft verklaard dat hij ook zelf weleens kleine bedragen voor eigen gewin heeft meegenomen.

3.4.

Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan appellant zijn gedragingen niet toegerekend kunnen worden. Het dagelijks bestuur was daarom bevoegd appellant een disciplinaire straf op te leggen. Met de rechtbank acht de Raad de straf van onvoorwaardelijk ontslag, gezien de aard en de ernst van de gedragingen en de terecht gestelde eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid aan medewerkers van Avalex, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Daarbij is van betekenis dat appellant reeds in 2008 en nogmaals in 2012 was gewaarschuwd om zich van dergelijk gedrag te onthouden.

3.5.

Wat appellant heeft aangevoerd om de ernst van zijn plichtsverzuim te relativeren leidt niet tot een andere conclusie. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij diverse malen bij de leiding melding heeft gemaakt van de misstanden waarvoor hij nu is bestraft. Dat zijn aandeel in de misstanden beduidend kleiner zou zijn geweest dan dat van zijn collega’s - die eveneens met onvoorwaardelijk ontslag zijn bestraft - is evenmin aannemelijk geworden.

3.6.

Uit wat in 3.2 tot en met 3.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en K.J. Kraan en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) A. Mansourova

HD