Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2960

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
09-08-2016
Zaaknummer
15/4373 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderliggend medisch advies vermeldt expliciet smetvrees. Aanleiding college toekenning extra tijd schoonmaakwerkzaamheden. Geen medische informatie overgelegd dat appellante (nog) meer hulp bij het huishouden behoeft. Geen tijd indiceren voor tweede broodmaaltijd, vaste rechtspraak. Voldoende uitleg over pgb-tarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/4373 WMO

Datum uitspraak: 3 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 mei 2015, 14/216 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Landgraaf (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. W.J.A. Gulpen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door L.H.J.F. Schlenter, b.c..

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het college heeft appellante bij besluit van 10 juli 2013 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zes uur en 30 minuten per week hulp bij het huishouden plus toegekend, met ingang van 12 september 2013 in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

1.2.

Het college heeft appellante bij besluit van 18 juli 2013 op grond van de Wmo acht uur en 15 minuten per week hulp bij het huishouden plus toegekend met ingang van de datum van het besluit in de vorm van een pgb. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 3 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het college in de gelegenheid gesteld de hoogte en totstandkoming van het pgb-tarief van € 18,07 per uur nader te onderbouwen. Het college heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt bij brieven van 15 september 2014 en

2 oktober 2014. Appellante heeft hierop gereageerd bij brieven van 22 september 2014 en

17 november 2014.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het college zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat appellante met de aan haar toegekende hulp bij het huishouden voldoende is gecompenseerd. De beroepsgrond van appellante dat zij voor het bereiden van de broodmaaltijd ten onrechte niet twee keer per dag gecompenseerd wordt, slaagt niet, omdat met het eenmaal klaarzetten van twee broodmaaltijden voor de gehele dag kan worden volstaan. De beroepsgrond van appellante dat zij extra moet worden gecompenseerd voor het reinigen van haar vervoersmiddel slaagt evenmin, omdat zij voor licht en zwaar huishoudelijk werk voldoende wordt gecompenseerd. De rechtbank stemt in met de toelichting die het college heeft gegeven in de brieven van 15 september 2014 en

2 oktober 2014 over de hoogte en totstandkoming van het pgb-tarief van € 18,07 per uur. Een acute spoedregeling vloeit niet voort uit de compensatieplicht van de Wmo en de vraag naar de wenselijkheid hiervan valt buiten de omvang van dit geding.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en wellicht door een andere afweging van de feiten met artikel 7:15 van de Awb. De rechtbank heeft de door appellante overgelegde stukken onvoldoende bekeken. Ter zitting is namens appellante toegelicht dat het college de medische situatie, meer in het bijzonder de smetvrees en de hulp die daardoor bijvoorbeeld nodig is bij het klaarzetten van de broodmaaltijd en het schoonmaken van de scootmobiel, onvoldoende heeft meegewogen in de besluitvorming. Verder kan appellante de totstandkoming van het pgb-tarief niet volgen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft aan het bestreden besluit het medisch advies van GGD Zuid-Limburg van 14 maart 2013 ten grondslag gelegd. Hierin heeft de medisch adviseur expliciet vermeld dat appellante bekend is met smetvrees waardoor haar leven fors wordt beïnvloed. De smetvrees van appellante leidt tot beperkingen en hierdoor moet extra worden schoongemaakt. Deze overwegingen zijn voor het college juist aanleiding geweest om extra tijd toe te kennen voor de schoonmaakwerkzaamheden. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zij op (nog) meer hulp bij het huishouden zou zijn aangewezen.

4.2.

Verder heeft de rechtbank terecht verwezen naar de uitspraak van de Raad van
19 november 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU5492), waarin is geoordeeld dat geen tijd hoeft te worden geïndiceerd voor het klaarzetten van een tweede broodmaaltijd, omdat met het eenmaal klaarzetten van twee broodmaaltijden voor de gehele dag kan worden volstaan.

4.3.

Ten slotte heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college in de brieven van 15 september 2014 en 2 oktober 2014 voldoende uitleg heeft gegeven over de hoogte en totstandkoming van het pgb-tarief van € 18,07 per uur. Ter zitting heeft het college nogmaals een toelichting op dit punt gegeven. Overigens heeft appellante niet gesteld dat zij voor een bedrag van € 18,07 per uur geen hulp zou kunnen krijgen.

4.4.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2016.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) B. Dogan

SS