Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
15/2080 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Juist oordeel rechtbank dat Zorgkantoor terecht de verlening van een pgb heeft geweigerd. Niet gebleken van oriëntatie door appellante op beschikbare zorg in natura. Mededeling ter zitting van appellante is onvoldoende concreet en strookt niet met andere informatie. Geen bezwaren tegen terugvordering voorschot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2080 AWBZ

Datum uitspraak: 3 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
13 februari 2015, 14/3290 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

CZ Zorgkantoor (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nog stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2016. Appellante is verschenen. Het Zorgkantoor is vertegenwoordigd door mr. M. van Hassel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor een overzicht van de feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Appellante is geboren in 1955. CIZ heeft haar voor de periode van 23 april 2014 tot en met 31 december 2014 geïndiceerd voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). De indicatie betreft Persoonlijke Verzorging (PV), klasse 3 (4 tot 6,9 uur per week).

1.2.

Het Zorgkantoor heeft in een besluit van 25 juli 2014 geweigerd appellante een persoonsgebonden budget (pgb) voor de geïndiceerde zorgfunctie PV te verlenen. Hieraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat uit het door appellante ingediende aanvraagformulier, het budgetplan en het zogenaamde bewuste keuze gesprek is gebleken dat zij zich onvoldoende bewust is van de rechten en plichten die een pgb met zich mee brengt. In een besluit van 1 augustus 2014 heeft het Zorgkantoor van appellante een over 2014 betaald pgb-voorschot tot een bedrag van € 1.970,- teruggevorderd. Appellante heeft tegen die besluiten bezwaar gemaakt.

1.3.

Het Zorgkantoor heeft appellantes bezwaren ongegrond verklaard in een besluit van
29 augustus 2014 (bestreden besluit). Het Zorgkantoor heeft daarin meegedeeld dat appellante zich niet heeft georiënteerd op het door het Zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbod, als gevolg waarvan een pgb geweigerd moet worden in verband met het bepaalde in artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder m, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa). Over de terugvordering heeft het Zorgkantoor meegedeeld dat uit de weigering voortvloeit dat appellante het door het Zorgkantoor betaalde pgb-voorschot onterecht heeft ontvangen en dat zij dat dus moet terugbetalen. Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Zorgkantoor onderschreven dat niet is voldaan aan artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder m, van de Rsa. Appellante heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij zich heeft georiënteerd op het door het Zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbod. Appellante heeft op het budgetplan van 14 mei 2014 ingevuld dat zij niet heeft onderzocht of de zorg die zij wil inkopen, ook wordt geleverd door zorgaanbieders die gecontracteerd zijn door het Zorgkantoor. De stelling van appellante op de zitting dat zij verschillende gecontracteerde zorgaanbieders telefonisch heeft benaderd, is niet onderbouwd. Artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder m, van de Rsa schrijft dan dwingendrechtelijk voor dat een pgb wordt geweigerd. Daarom heeft het Zorgkantoor terecht geweigerd een pgb toe te kennen. Uit deze terechte weigering volgt dat het voorschot van € 1.970,- onverschuldigd is betaald en het Zorgkantoor op grond van artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht tot terugvordering van dat bedrag kon overgaan.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder m, van de Rsa is bepaald dat het zorgkantoor verlening van een netto persoonsgebonden budget weigert als de verzekerde zich, gelet op de door hem verstrekte gegevens en bescheiden, kennelijk onvoldoende heeft georiënteerd op het door het zorgkantoor gecontracteerde zorgaanbod.

De toelichting bij deze bepaling bevat de volgende passages:

‘De voorwaarden waaronder een verzekerde in aanmerking komt voor een pgb, zijn ten opzichte van het subsidiejaar 2012 gewijzigd. (…) Het gaat om de volgende wijzigingen: (…)

Voordat een verzekerde zich bij het zorgkantoor meldt voor een pgb, moet hij zich eerst oriënteren op de beschikbare zorg in natura om te bezien of passende zorg beschikbaar is. Een beroep op het pgb is alleen mogelijk als de verzekerde van oordeel is dat dergelijke passende zorg in natura niet beschikbaar is. De verzekerde geeft in het budgetplan aan bij wie hij zich heeft georiënteerd en waarom deze zorg niet passend is. Als de verzekerde zich kennelijk niet heeft georiënteerd op de beschikbare zorg in natura, of de verzekerde in het budgetplan heeft aangegeven dat hij voornemens is om het persoonsgebonden budget uitsluitend te besteden aan de inkoop van zorg bij door het zorgkantoor gecontracteerde zorgverleners, zal het zorgkantoor het pgb weigeren.’ (Stcrt. 2012, 26638, blz. 12/13).

4.2.

De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat het Zorgkantoor terecht de verlening van een pgb heeft geweigerd. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die hierop betrekking hebben en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Ook in hoger beroep heeft appellante geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij zich ten tijde van haar aanvraag heeft georiënteerd op gecontracteerde zorgaanbieders. Op de zitting heeft appellante genoemd dat zij zich voorafgaande aan de aanvraag heeft gewend tot een dergelijke zorgaanbieder. Deze mededeling van appellante is echter onvoldoende concreet. Bovendien is deze mededeling moeilijk te rijmen met het feit dat appellante op het Budgetplan 2014 de vraag ‘Heeft u onderzocht of de zorg die u wil inkopen ook wordt geleverd door zorgaanbieders die gecontracteerd zijn door het zorgkantoor?’ heeft beantwoord met ‘nee’. Ook tijdens het bewust keuze gesprek heeft appellante expliciet aangegeven dat zij niet heeft onderzocht of de zorg via een gecontracteerde zorgaanbieder verleend kon worden.

4.3.

De nadere stukken die appellante in het geding heeft gebracht, werpen geen ander licht op de zaak, alleen al omdat het in 2015 en 2016 door een ander bestuursorgaan verleende pgb berust op andere regelgeving.

4.4.

Appellante heeft in hoger beroep geen gronden naar voren gebracht, gericht tegen de terugvordering.

4.5.

Omdat het hoger beroep niet slaagt, wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2016.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) R.I. Troelstra

SS