Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2941

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
04-08-2016
Zaaknummer
15/754 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 1, aanhef en onder q, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen wordt onder aflossingscapaciteit verstaan het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering. In hoger beroep is niet langer in geschil dat de beslagvrije voet in het geval van appellant terecht was vastgesteld op € 1.073,-. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom het Uwv geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid om te verrekenen op de wijze waarop hij dit heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0809

Uitspraak

15/754 WW, 15/755 WW

Datum uitspraak: 3 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

19 december 2014, 14/1019 en 14/1320 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. Boomstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boomstra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving van het Uwv een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Bij besluiten van 11 juni 2013 heeft het Uwv een bedrag van € 14.159,95 van appellant teruggevorderd en een boete opgelegd, omdat appellant over een periode in 2012 ten onrechte

WW-uitkering had ontvangen. Deze besluiten staan in rechte vast.

1.3.

Bij besluit van 5 juli 2013 heeft het Uwv in verband met een beslag dat door de Ontvanger der directe belastingen op een deel van zijn uitkering is gelegd, bepaald dat appellant met ingang van 10 juni 2013 een bedrag van € 553,56 per vier weken ontvangt.

1.4.

Met ingang van 8 juli 2013 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant stopgezet, omdat appellant vanaf die datum weer volledig was gaan werken.

1.5.

Bij besluit van 18 september 2013 heeft het Uwv met terugwerkende kracht de beëindiging van de WW-uitkering met ingang van 8 juli 2013 ongedaan gemaakt, deze uitkering per die datum heropend en bepaald dat de WW-uitkering doorloopt tot en met

1 februari 2014. Op de in dit verband aan appellant gedane nabetalingen hebben abusievelijk geen inhoudingen ten behoeve van de gelegde beslagen plaatsgevonden.

1.6.

Bij besluit van 26 september 2013 heeft het Uwv onder verwijzing naar het besluit van

5 juli 2013 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 16 september 2013 het door de Ontvanger gelegde beslag zal uitvoeren.

1.7.

Hierop heeft appellant het Uwv in september 2013 een brief van 30 juli 2013 van de Ontvanger aan appellant doen toekomen, waarin is gemeld dat voor appellant een beslagvrije voet van € 1.073,- geldt.

1.8.

Bij besluit van 10 oktober 2013 heeft het Uwv appellant vervolgens meegedeeld dat hij de te veel aan appellant betaalde WW-uitkering (zie 1.2) gaat verrekenen met de (huidige) WW-uitkering van appellant door van deze WW-uitkering niet meer dan € 1.073,- uit te betalen en de rest te verrekenen met de terugvorderingen. Zodoende zal een bedrag van € 159,92 (bruto) per week worden verrekend met de schuld van appellant aan het Uwv.

1.9.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 26 september 2013 en

10 oktober 2013. Bij beslissingen op bezwaar van 14 januari 2014 onderscheidenlijk

18 februari 2014 (bestreden besluiten 1 en 2) heeft het Uwv dit bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de door appellant tegen de bestreden besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met de afspraken tussen appellant en het Uwv over de terugbetalingsregeling van € 150,- per maand. Volgens appellant mochten deze regeling en een beslag niet naast elkaar plaatsvinden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat geen uitvoering is gegeven aan het door de Ontvanger gelegde beslag op de WW-uitkering van appellant en dat er daarom geen belang bestaat bij een beoordeling van gronden tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze een oordeel geeft over bestreden besluit 1.

4.2.

In hoger beroep ligt slechts voor de vraag of de rechtbank terecht het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond heeft verklaard. In de kern betreft dit de vraag of het Uwv bij de invordering van zijn schuld op appellant terecht slechts € 1.073,- van de WW-uitkering van appellant heeft uitbetaald en zodoende een bedrag van € 159,92 per week heeft verrekend in plaats van € 150,- per maand.

4.3.

Voorop staat dat op grond van artikel 4:93, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts geschied voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. In artikel 36a, tweede lid, van de WW in verbinding met artikel 27g, eerste lid, van de WW, is bepaald dat het Uwv de onverschuldigd betaalde uitkering verrekent met, onder meer, een WW-uitkering. Hieruit volgt dat het Uwv bevoegd was om de WW-uitkering van appellant te verrekenen met de vordering die hij op appellant had.

4.4.

Niet in geschil is dat het Uwv met appellant een afspraak had gemaakt om maandelijks een bedrag van € 150,- in te houden op de WW-uitkering van appellant ter aflossing van zijn schuld aan het Uwv. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, staat volgens vaste rechtspraak evenwel geen rechtsregel eraan in de weg dat het Uwv, op basis van een correct berekende aflossingscapaciteit, betalingstermijnen voor de toekomst wijzigt en vaststelt op een beduidend hoger bedrag (ECLI:NL:CRVB:2006:AV9374). Toezeggingen van de zijde van het Uwv, om genoemde afspraak met appellant ook in de toekomst na te komen, zijn gesteld noch gebleken.

4.5.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder q, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen wordt onder aflossingscapaciteit verstaan het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering. In hoger beroep is niet langer in geschil dat de beslagvrije voet in het geval van appellant terecht was vastgesteld op € 1.073,-. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom het Uwv geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid om te verrekenen op de wijze waarop hij dit heeft gedaan.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2016.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) J.C. Borman

NK