Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2936

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
15/1669 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:593
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:594, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Niet wonen op het uitkeringsadres. Lage water- en energieverbruik onvoldoende grondslag. Nieuwe aanvraag terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1669 WWB, 15/1670 WWB

Datum uitspraak: 2 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

4 februari 2015, 14/3601 (aangevallen uitspraak 1) en 14/3602 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. T. Bissessur, advocaat, hoger beroep ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bissessur. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H. Nicolai.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk vanaf 23 december 2009 naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft opgegeven te wonen aan de [adres 1] (uitkeringsadres). Naar aanleiding van een aantal meldingen in oktober en november 2013 dat appellant al 30 jaar samenwoont met zijn

ex-partner aan de [adres 2] , dat hij in Suriname is en dat hij pas 14 januari 2014 zal terugkomen, heeft een medewerker van de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam (ABO) appellant uitgenodigd voor een rechtmatigheidsgesprek op 14 november 2013. Omdat appellant geen gehoor gaf aan de uitnodiging, heeft het college de bijstand opgeschort met ingang van die datum en appellant de gelegenheid geboden om het verzuim te herstellen door op 18 november 2013 alsnog op gesprek te komen. Omdat appellant wederom niet kwam opdagen, heeft het college de bijstand bij besluit van 19 november 2013 ingetrokken met ingang van 14 november 2013.

1.2.

Op 29 november 2013 heeft appellant zich gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB. Naar aanleiding van deze aanvraag en de in 1.1 genoemde meldingen heeft een medewerker van ABO een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand over de periode van 23 december 2009 tot en met

13 november 2013 alsmede naar de bijstandbehoevendheid van appellant ten tijde van de aanvraag. Daartoe heeft deze medewerker van ABO op 23 december 2013 appellant gehoord, aansluitend een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres, informatie opgevraagd over het water- en energieverbruik op het uitkeringsadres en buurtbewoners gehoord van zowel het uitkeringsadres als de [straat] . De bevindingen van het onderzoek heeft ABO neergelegd in een rapportage van 8 januari 2014.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 23 januari 2014 de aanvraag om bijstand van appellant af te wijzen. Bij besluit van gelijke datum heeft het college het aan appellant verleende voorschot ten bedrage van € 792,- van hem teruggevorderd. Bij besluit van 30 april 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 23 januari 2014 ongegrond verklaard.

1.4.

Tevens heeft het college in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien om de bijstand van appellant bij besluit van 5 februari 2014 over de periode van 24 december 2011 tot en met 13 november 2013 te herzien (in te trekken) en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 24.266,32 van hem terug te vorderen. Bij besluit van 20 maart 2014 heeft het college het terug te vorderen bedrag gebruteerd en vastgesteld op € 27.370,24. Bij besluit van 24 april 2014 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van

5 februari 2014 en 20 maart 2014 ongegrond verklaard. Aan de bestreden besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet woonachtig is op het uitkeringsadres en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of appellant recht heeft op bijstand.

1.5.

Met ingang van 25 maart 2014 ontvangt appellant weer bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking, terugvordering en brutering (aangevallen uitspraak 2)

4.1.1.

De periode in geding loopt van 24 december 2011 tot en met 13 november 2013.

4.1.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.1.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij tijdens het huisbezoek heeft laten zien dat hij woont op het uitkeringsadres. Het huis oogde niet verlaten of verwaarloosd en het lage verbruik van water en energie is hoofdzakelijk te wijten aan zijn zuinige manier van leven. Hij was vaak van huis en ging dikwijls naar de [straat] , omdat zijn kinderen daar waren.

4.1.4.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, bieden de gedingstukken onvoldoende grondslag voor het oordeel van het college dat appellant in de periode in geding niet woonde op het uitkeringsadres. Het college heeft zijn oordeel uitsluitend gebaseerd op het gestelde lage water- en energieverbruik in de periode in geding. Weliswaar duiden deze gegevens erop dat appellant weinig aanwezig was op het uitkeringsadres, maar dat is op zichzelf genomen onvoldoende om de intrekking van de bijstand op te baseren. Van belang daarbij is dat het college de bevindingen van het huisbezoek niet voldoende indicatief heeft gevonden voor de afwijzing van de aanvraag alsmede de (intrekking en) terugvordering van de bijstand. Weliswaar is tijdens het huisbezoek waargenomen dat medicijnen en administratie niet van recente datum waren, maar ook dat de inrichting van de woning van appellant niet opvallend was. Zo waren er bijvoorbeeld een gevulde koelkast, een gevulde vriezer en voldoende herenkleding aanwezig. Daar komt bij dat de als getuige gehoorde buren van het uitkeringsadres hebben verklaard dat appellant daar woont. Gelet op het belastende karakter van de intrekking voor appellant, de feiten en omstandigheden zoals naar voren gekomen tijdens het huisbezoek en de verklaringen van de buurtbewoners, had het college meer bewijs dan alleen de verbruiksgegevens van water en energie moeten leveren om zijn standpunt over de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode in geding te onderbouwen. Dat heeft het college nagelaten.

4.1.5.

Gelet op 4.1.4 slaagt het hoger beroep van appellant voor zover gericht tegen aangevallen uitspraak 2. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat deze uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en bestreden besluit 2 vernietigen. Nu het college ter zitting te kennen heeft gegeven dat een nader onderzoek naar de feitelijk woon- en leefsituatie van appellant ten tijde in geding, gelet op het tijdsverloop, niet meer aan de orde is, ziet de Raad tevens aanleiding de besluiten van 5 februari 2014 en 20 maart 2014 te herroepen, zodat het recht op bijstand van appellant over de periode in geding herleeft.

Aanvraag en terugvordering voorschot (aangevallen uitspraak 1)

4.2.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 29 november 2013 tot en met 23 januari 2014.

4.2.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.2.4.

Appellant heeft aangevoerd dat zijn woon- en leefsituatie duidelijk is, dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert en dat zijn situatie in de te beoordelen periode niet wezenlijk anders is dan op 25 maart 2014, vanaf welke datum appellant weer bijstand ontvangt.

4.2.5.

Anders dan appellant meent, heeft hij onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die nopen tot inwilliging van zijn aanvraag om bijstand. Het lage

water- en energieverbruik heeft bij het college twijfel opgeroepen over de woon- en leefsituatie van appellant. Met de niet sluitende verklaringen daarvoor heeft appellant die onduidelijkheid niet weggenomen. Dat appellant op een gascomfort met gasfles kookte, waardoor het gasverbruik laag was, heeft hij onvoldoende onderbouwd door slechts een aankoopbon van een gasfles over te leggen, welke bon overigens is gedateerd na de te beoordelen periode. Ook de na het huisbezoek overgelegde foto van het gascomfort is daartoe onvoldoende, alleen al omdat op de vele foto’s genomen tijdens het huisbezoek dit gascomfort nergens zichtbaar is. Ook over het zeer lage water- en energieverbruik heeft appellant onvoldoende duidelijkheid verschaft, die in het licht van een bijstandsaanvraag noodzakelijk is om het recht te kunnen vaststellen. Appellant heeft enerzijds verklaard dat een van zijn kinderen de was voor hem doet, anderzijds stelt appellant dagelijks in zijn woning te verblijven, wat betekent dat hij voor zijn persoonlijke verzorging water verbruikt door van het toilet gebruik te maken en zich te wassen. Ten slotte heeft appellant verklaard dat hij thuis televisie kijkt. Deze omstandigheden stroken niet met het geconstateerde lage water- en energieverbruik.

4.2.6.

Anders dan appellant heeft betoogd is bovendien sprake van een relevante wijziging in de woon- en leefsituatie van appellant op 25 maart 2014, de datum met ingang waarvan het college hem weer bijstand verleent. Uit de gedingstukken blijkt dat het water- en energieverbruik op het uitkeringsadres sinds de afwijzing van de aanvraag van 29 november 2013 aanzienlijk is toegenomen. Bovendien heeft de woningbouwvereniging op verzoek van appellant een nieuwe keuken geplaatst.

4.2.7.

Tegen de terugvordering van het voorschot heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.

4.2.8.

Gelet op 4.2.5 en 4.2.6 slaagt het hoger beroep van appellant gericht tegen aangevallen uitspraak 1 niet, zodat deze moet worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.984,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 april 2014;

- herroept de besluiten van 5 februari 2014 en 20 maart 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in

de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.984,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 168,- vergoedt;

- bevestigt aangevallen uitspraak 1.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A. Stehouwer en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) L.V. van Donk

HD