Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2934

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
14/5018 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Handel in oud ijzer. Het recht op bijstand is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5018 WWB

Datum uitspraak: 2 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

19 augustus 2014, 14/661 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2016. Voor appellant is

mr. Schriemer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

N.J.J. Massier.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 23 juni 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellant in oud ijzer handelt, heeft de Sociale Recherche IJssel-Vechtstreek (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer observaties gedaan, getuigen gehoord en appellant verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 september 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

15 oktober 2013 de bijstand van appellant in te trekken over de periode van 1 mei 2009 tot en met 30 april 2013 en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van

€ 57.724,45 van appellant terug te vorderen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn zelfstandige activiteiten in de oud-ijzerhandel en van die activiteiten geen deugdelijke boekhouding dan wel urenadministratie bij te houden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Bij besluit van 8 november 2013 heeft het college aan appellant een boete opgelegd ter hoogte van in totaal € 4.915,90, waarbij het college voor de periode tot 1 januari 2013 is uitgegaan van een boete ter hoogte van de destijds toepasselijke maatregel en voor de periode vanaf 1 januari 2013 van 100% van het benadelingsbedrag.

1.4.

Het college heeft de bezwaren tegen de besluiten van 15 oktober 2013 en 8 november 2013 bij besluit van 13 maart 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het college heeft het besluit om de bijstand van appellant in te trekken en terug te vorderen nader gemotiveerd. Daarbij stelt het college zich op het standpunt dat appellant door het overleggen van bonnen van het bedrijf [BV] geen volledige opgave heeft gedaan van zijn werkzaamheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant, kort samengevat, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte waarde hecht aan de verklaringen van de twee anonieme getuigen en dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet voldoende concreet zijn om op grond daarvan aan te nemen dat appellant actief was in de oud-ijzerhandel.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is nog alleen de intrekking en terugvordering van de bijstand. Ter zitting heeft appellant in dat verband verzocht om ook de periode vanaf 1 mei 2011 tot 1 mei 2013 in de beoordeling te betrekken. Appellant stelt dat pas vanaf 1 januari 2012 sprake is van werkzaamheden, omdat appellant toen oud ijzer is gaan verkopen aan [BV] . De omvang van die werkzaamheden is aan de hand van de bonnen van [BV] vast te stellen. Ook in hoger beroep blijft de periode in geding 1 mei 2009 tot 1 mei 2011. In beroep en ter zitting van de rechtbank heeft appellant uitdrukkelijk erkend dat hij sinds mei 2011 in oud ijzer heeft gehandeld met [BV] en dat hij daarmee zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. In het hoger beroepschrift heeft appellant met geen woord gerept over de periode vanaf 1 mei 2011.

4.2.

Het bijstandverlenend orgaan was tot 1 juli 2013 bevoegd om tot herziening of intrekking van bijstand over te gaan. Vanaf 1 juli 2013 is het bijstandverlenend orgaan echter verplicht een besluit tot toekenning van bijstand te herzien dan wel een besluit tot toekenning van bijstand in te trekken, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.4.

Het college is daarin geslaagd. De onderzoeksresultaten bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant in de periode in geding op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. De verklaringen van de getuigen komen in grote lijnen overeen. Meerdere getuigen geven aan dat appellant al tussen de acht en vijftien jaar langskomt om oud ijzer van hen op te kopen. Eerst samen met zijn vader, sinds diens overlijden alleen. De getuige [getuige 2] verklaart dat appellant sedert ongeveer vier jaar met zijn toestemming zijn aanhangwagen parkeert op zijn erf. [getuige 2] heeft wel eens gezien dat die aanhangwagen vol zit met oud ijzer. De eigenaar van [BV] verklaart op 11 april 2013 dat appellant al twee jaar geregeld oud ijzer bij zijn bedrijf komt inleveren. Twee van de getuigen wensen anoniem te blijven. Hun verklaringen ondersteunen echter wel de verklaringen van de andere acht getuigen, die appellant kennen als oud-ijzerhandelaar. Van deze werkzaamheden had appellant aan het college mededeling moeten doen. Geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de verklaringen van de getuigen niet de periode in geding betreffen. Voor zover de getuigen melden dat ze appellant niet meer zo regelmatig zien, betreft dat de jaren na de periode in geding.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de WWB, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Nu het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zijn activiteiten voor de verlening van de bijstand van belang konden zijn, heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden. Daarom was het college op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB verplicht de bijstand in te trekken over de periode van 1 mei 2009 tot en met 30 april 2013.

4.6.

Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.

4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A. Stehouwer en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) L.V. van Donk

HD