Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2933

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
14/6161 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde aanvraag om verlenging Bbz 2004. Geen sprake van externe omstandigheid van tijdelijke aard. Inkomensdaling door bezuiniging op subsidies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/193

Uitspraak

14/6161 BBZ

Datum uitspraak: 2 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

30 september 2014, 14/333 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Klomp-de Wijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klomp-de Wijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.H. Leenders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is ruim dertig jaar werkzaam als zelfstandig musicus, componist en organisator van concerten.

1.2.

Appellant heeft op 14 november 2012 aan aanvraag gedaan om bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Appellant heeft daarbij vermeld dat sprake is van een inkomensterugval die in hoofdzaak werd veroorzaakt door het wegvallen van subsidie. Bij besluit van 7 maart 2013 heeft het college appellant een uitkering ingevolge het Bbz 2004 toegekend van 14 november 2012 tot en met 13 mei 2013. Op 17 juni 2013 heeft appellant een aanvraag om verlenging van deze uitkering gedaan. Bij besluit van

5 augustus 2013 heeft het college aan appellant een uitkering ingevolge het Bbz 2004 toegekend van 17 juni 2013 tot en met 13 november 2013.

1.3.

Op 7 oktober 2013 heeft appellant opnieuw een aanvraag om verlenging van deze uitkering gedaan. Bij besluit van 5 november 2013 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant de maximale periode van twaalf maanden als genoemd in artikel 18 van het Bbz 2004 heeft bereikt. Gebleken is dat de oorzaak van de behoefte aan bijstand niet is gelegen in externe omstandigheden van tijdelijke aard.

1.4.

Bij besluit van 20 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 november 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat sprake was van een externe omstandigheid van tijdelijke aard die verdere verlening van de bijstand noodzakelijk maakte. Appellant heeft jarenlang een beroep kunnen doen op subsidies. Door abrupte bezuinigingen op de subsidies werd appellant geconfronteerd met een plotselinge inkomensdaling. Omdat het in de kunstensector, anders dan in de reguliere handelssector, meer tijd kost om de bedrijfsvoering om te buigen, heeft appellant meer tijd nodig dan een jaar om voldoende inkomsten te genereren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bbz 2004 kan algemene bijstand worden verleend aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is.

4.2.

In artikel 18 van het Bbz 2004 is bepaald dat aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, gedurende ten hoogste twaalf maanden algemene bijstand wordt verleend. Verlenging van deze termijn met ten hoogste 24 maanden is mogelijk indien de oorzaak van de behoefte aan bijstand is gelegen in externe omstandigheden van tijdelijke aard.

4.3.

Vaststaat dat appellant is aangemerkt als zelfstandige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bbz 2004 en dat hij gedurende twaalf maanden algemene bijstand heeft ontvangen. Tussen partijen is verder niet in geschil dat sprake is van externe omstandigheden. Partijen worden echter verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of deze externe omstandigheden van tijdelijke aard zijn als bedoeld in artikel 18 van het Bbz 2004.

4.4.

Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Het college heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het beleid van de subsidieverleners in de kunstensector in brede zin erop gericht is om de kunstensector structureel minder afhankelijk te maken van subsidies. Appellant heeft in verband daarmee de wijze van bedrijfsvoering structureel moeten aanpassen. Van een externe omstandigheid van tijdelijke aard is daarom geen sprake. Dat appellant meer dan een jaar nodig heeft om zijn bedrijfsvoering aan te passen maakt dat niet anders. In het Bbz 2004 is geen aanwijzing te vinden voor het standpunt dat appellant bij de toepassing van artikel 18 van het Bbz 2004 anders zou moeten worden behandeld dan een zelfstandige buiten de kunstensector.

4.5.

Verder wordt gewezen op de Memorie van Toelichting bij artikel 8, eerste lid, van de Algemene bijstandswet, een in essentie gelijkluidende bepaling als artikel 18 van het Bbz 2004. Daarin wordt opgemerkt dat een langere uitkeringsperiode dan twaalf maanden zou gaan in de richting van een inkomensgarantie, hetgeen in strijd is met het uitgangspunt dat, behalve wanneer het ouderen betreft, alleen een uitkering aan zelfstandigen kan worden verleend bij tijdelijke inkomensproblemen (TK 1991-1992, 22 545, nr. 3, p. 35).

4.6.

De rechtbank heeft derhalve op goede gronden geoordeeld dat het college het verzoek van appellant om verlenging van de termijn van twaalf maanden als bedoeld in artikel 18 van het Bbz 2004 terecht heeft afwezen. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. ter Brugge en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD