Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2715

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-07-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
14/6673 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad oordeelt dat de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand opkomen op de dag dat de rechtsbijstandsverlener het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand tot verlening van de aangevraagde toevoeging heeft ontvangen.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechtsbijstand
Wet op de rechtsbijstand 28
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/148
USZ 2016/314 met annotatie van I.M. Lunenburg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6673 WWB

Datum uitspraak: 12 juli 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

3 november 2014, 14/4813 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diderich.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

De gemachtigde van appellante heeft op 31 december 2013 toevoegingen aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) voor het namens appellante indienen van een bezwaarschrift en van een verzoek om een voorlopige voorziening. De RvR heeft de toevoegingen verleend op 17 onderscheidenlijk 24 maart 2014.

1.2.

Namens appellante heeft haar gemachtigde op 7 april 2014 bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor de kosten van rechtsbijstand. Deze kosten bestaan uit de eigen bijdrage van € 141,- die de RvR bij elk van de toevoegingen heeft vastgesteld en voor het griffierecht van € 44,-.

1.3.

Bij besluit van 11 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juli 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat bijzondere bijstand vooraf dient te worden aangevraagd. Dit houdt volgens het beleid van de gemeente Amsterdam in dat een aanvraag voor de kosten van rechtsbijstand uiterlijk op de dag dat de toevoeging bij de RvR wordt aangevraagd moet worden ingediend. Een aanvraag voor de kosten van het griffierecht moet worden ingediend uiterlijk op de dag dat het verzoek- of beroepschrift wordt ingediend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij, samengevat, het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat appellante tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 11 april 2014. Het college had het te laat ingediende bezwaar gegrond moeten verklaren onder toekenning van een proceskostenveroordeling, omdat het besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Verder heeft het college artikel 9.7.6.1 van de Beleidsvoorschriften van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (beleidsvoorschriften) niet mogen toepassen. De vaste uitvoeringspraktijk van het college is in strijd met de beleidsvoorschriften. Verwezen wordt naar diverse procedures van een andere aanvrager van bijzondere bijstand. Het gewijzigde beleid is ten onrechte niet aan haar gemachtigde gecommuniceerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ontvankelijkheid bezwaar

4.1.

In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aan met ingang van de dag na die waarop het bestreden besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Het college heeft erkend dat het besluit van 11 april 2014 ten onrechte aan appellante is gezonden en niet aan haar gemachtigde, waardoor het besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Het college heeft hieraan terecht, zij het impliciet, het gevolg verbonden dat het bezwaarschrift van 16 juni 2014 binnen de termijn is ingediend en daarom ontvankelijk was. Anders dan appellante heeft betoogd, heeft de rechtbank dan ook met juistheid overwogen dat appellante tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van

11 april 2014. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Bijzondere bijstand

4.2.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen, voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:BA6875) vloeit uit artikel 43, eerste lid, van de WWB voort dat in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verleend voor kosten die zijn opgekomen voor de datum waarop de aanvraag om bijstand is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

Eigen bijdrage rechtsbijstand

4.4.

Ingevolge artikel 9.7.6.1 van de beleidsvoorschriften, zoals dit luidde ten tijde in geding, moet een aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand worden ingediend uiterlijk op de dag dat de toevoeging wordt aangevraagd.

4.5.

Deze bepaling gaat de grenzen van een redelijke wetsuitleg te buiten. Daartoe is het volgende van belang.

4.5.1.

Ingevolge artikel 28 van de Wet op de rechtsbijstand, voor zover hier van belang, kan het bestuur van de RvR een toevoeging weigeren indien de aanvraag wordt ingediend nadat de rechtsbijstand reeds feitelijk is verleend. Hieruit volgt dat een toevoeging in beginsel moet worden aangevraagd voordat feitelijk rechtsbijstand wordt verleend. Dit brengt mee dat als uitgangspunt heeft te gelden dat met de feitelijke verlening van rechtsbijstand eerst een aanvang wordt gemaakt nadat de RvR de aangevraagde toevoeging heeft verleend. De rechtsbijstandsverlener krijgt kennis van het besluit van de RvR tot verlening van de aangevraagde toevoeging op het moment dat hij dit besluit heeft ontvangen en zal dus vanaf dat moment op basis van die toevoeging rechtsbijstand kunnen gaan verlenen.

4.5.2.

Pas bij de verlening van de toevoeging stelt de RvR de door de rechtzoekende verschuldigde eigen bijdrage vast. Anders dan uit de uitspraak van 1 mei 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9177) zou kunnen worden afgeleid, komen de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand, mede gelet op wat in 4.5.1 is overwogen, daarom pas op op de dag dat de rechtsbijstandsverlener het besluit van de RvR tot verlening van de aangevraagde toevoeging heeft ontvangen. Dit betekent dat bijzondere bijstand voor een bij een toevoeging vastgestelde, door de rechtzoekende te betalen, eigen bijdrage uiterlijk op deze dag dient te worden aangevraagd. Op deze dag wordt de rechtzoekende geacht op de hoogte te zijn van de toevoeging en de eigen bijdrage, omdat die mede namens hem door de rechtsbijstandsverlener is aangevraagd. De Raad wijst er in dit verband nog op dat, nu het moment van ontvangst van de toevoeging door de advocaat de uiterste datum markeert waarop nog bijzondere bijstand voor de verschuldigde eigen bijdrage kan worden aangevraagd, het in de rede ligt om de aanvraag om bijzondere bijstand op een eerder moment in te dienen, bijvoorbeeld tegelijkertijd met de aanvraag om een toevoeging bij de RvR. De omstandigheid dat vooraf niet bekend is hoe hoog de eigen bijdrage zal zijn, vormt daarvoor geen beletsel.

4.6.

Uit 4.5 tot en met 4.5.2 volgt dat de in artikel 9.7.6.1 van de beleidsvoorschriften neergelegde beleidsregel buiten toepassing moet blijven. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden over de toepassing van deze beleidsregel en de communicatie van dit beleid geen bespreking meer.

4.7.

In het geval van appellante heeft de RvR de toevoegingen op 17 onderscheidenlijk

21 maart 2014 verleend en daarbij vastgesteld dat een eigen bijdrage is verschuldigd van

€ 141,- voor beide toevoegingen. Appellante heeft de bijzondere bijstand echter pas op 7 april 2014 aangevraagd. Het college heeft de aanvraag voor deze kosten dan ook terecht afgewezen op de grond dat de kosten van rechtsbijstand al voor de aanvraag zijn opgekomen. In wat appellante heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die afwijking van het uitgangspunt dat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend rechtvaardigen.

Griffierecht

4.8.

Ingevolge artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt van de indiener van een beroepschrift door de griffier een griffierecht geheven.

4.9.

Ingevolge artikel 9.7.6.1 van de beleidsvoorschriften dient een aanvraag om bijzondere bijstand voor griffierecht uiterlijk te worden ingediend op de dag dat het verzoek- of beroepschrift wordt ingediend.

4.10.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3490), gaat dit uitgangspunt de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten.

4.11.

Omdat het verzoekschrift waarop het griffierecht betrekking had door appellante is ingediend op 24 december 2013 en de aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten pas is gedaan op 7 april 2014, heeft het college terecht, in overeenstemming met zijn beleid, het standpunt ingenomen dat de aanvraag om bijzondere bijstand voor het griffierecht te laat is ingediend.

4.12.

Uit 4.1 tot en met 4.11 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en F. Hoogendijk en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) S.W. Munneke

HD