Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
15-2078 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Lening kredietbank voorliggende voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2078 WWB

Datum uitspraak: 28 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

9 februari 2015, 14/4808 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2016. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E.T. van der Fluit en F.E. el Razouki.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

Appellant heeft op 14 mei 2014 een aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening ingediend, voor de inrichtingskosten voor de kamer van zijn dochter (kinderbed en verf) alsmede kosten wasmachine en droger en een fiets, tot een bedrag van in totaal € 1.750,-.

1.3.

Bij besluit van 1 juli 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 oktober 2014 (bestreden besluit), heeft het college, voor zover van belang, de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant voor de gevraagde kosten een lening bij Kredietbank Nederland (kredietbank) kon aanvragen. De kredietbank heeft appellant bij brief van 23 september 2014 een lening verstrekt van € 1.800,-. Een lening bij de kredietbank is aan te merken als een passende en toereikende voorliggende voorziening in de zin van artikel 15, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - samengevat en voor zover van belang - overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een passende en toereikende voorliggende voorziening voor de door appellant gevraagde kosten.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft - samengevat - aangevoerd dat hij door overlegging van de afwijzing van een lening bij de kredietbank alle benodigde gegevens heeft overgelegd die nodig waren om in aanmerking te komen voor de gevraagde bijstand. Dat het college vervolgens contact heeft opgenomen met de kredietbank en heeft besloten zijn aanvraag af te wijzen acht appellant een onbehoorlijke handelwijze van het college, waardoor hij zich onheus bejegend voelt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om (bijzondere) bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Artikel 53a, tweede lid, van de WWB geeft het college hiertoe de bevoegdheid.

4.2.

De kredietbank heeft bij brief van 10 maart 2014 de aanvraag van appellant voor een persoonlijke lening afgewezen. Tussen partijen is niet in geschil dat in de aan het college door appellant overgelegde kopie van deze brief de reden voor de afwijzing door appellant onzichtbaar is gemaakt. De reden van de afwijzing was een essentieel gegeven voor de beoordeling en eventuele inwilliging van zijn aanvraag om bijstand. Gelet op 4.1 was het college bevoegd bij de kredietbank te informeren naar de reden van de afwijzing. Uit deze informatie bleek dat de kredietaanvraag zag op een hoger bedrag en op meer kostenposten dan waarvoor door appellant bijzondere bijstand was aangevraagd. Anders dan appellant heeft betoogd, kon de door hem overgelegde kopie van de brief van 10 maart 2014 dan ook niet worden beschouwd als een relevante afwijzing van de kredietbank voor een lening van door hem gevraagde kosten van bijstand.

4.3.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, geacht wordt voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder f, van de WWB, zoals dit artikel luidde ten tijde van belang, wordt onder een voorliggende voorziening verstaan elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 5 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1155) kan kredietverlening door een kredietbank worden aangemerkt als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder f, van de WWB.

4.4.

Vastgesteld wordt dat de kredietbank appellant op 23 september 2014 een lening heeft verstrekt van € 1.800,-. Voor de door appellant gevraagde kosten is deze lening dan ook als een passende en toereikende voorliggende voorziening aan te merken. Dit wordt niet anders nu de gebruikmaking van de voorliggende voorziening voor appellant, door de betaling van een kredietvergoeding, meer kosten met zich meebrengt dan in het geval het college voor de gevraagde kosten leenbijstand had verleend.

4.5.

Over de door appellant gevoelde onheuse bejegening door het college kan in het kader van de onderhavige beroepsprocedure geen oordeel gegeven worden. Op dit punt is een klachtenprocedure in de zin van Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht de aangewezen weg.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A. Mansourova

HD