Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2529

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
11-07-2016
Zaaknummer
15/7865 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet Ontvankelijk verklaring beroep. Verkeerd adres RB vermeld. Niet verschoonbaar: van ingediend beroepschrift naar onjuiste adres niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7865 WWB

Datum uitspraak: 28 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 15 oktober 2015, 15/2623 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Oostzaan (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Martin, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Martin. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Olij en K. Meijer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 23 april 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand.

1.2.

Bij besluit van 24 oktober 2012 heeft het college de bijstand van appellante herzien over de maand juli 2012, ingetrokken met ingang van 1 augustus 2012 en beëindigd met ingang van 1 september 2012. Bij besluit van 13 november 2012 heeft het college ook de bijstand over de maand juni 2012 herzien, de kosten van bijstand van appellante teruggevorderd over juni en juli 2012 tot een bedrag van € 723,41 en over augustus 2012 tot een bedrag van € 1.061,84.

1.3.

Bij besluit van 14 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 24 oktober 2012 en 13 november 2012 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van overschrijding van de bezwaartermijn. In de beroepsclausule heeft het college een onjuist adres van de rechtbank vermeld.

1.4.

Namens appellante heeft mr. Martin bij aan brief van 9 juni 2015 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroepschrift is gericht aan het juiste adres van de rechtbank. Hierin is aangevoerd dat [naam] namens appellante op 18 juni 2013 een beroepschrift en op

30 augustus 2013, 17 december 2013 en 19 juni 2014 herinneringsbrieven heeft verzonden aan het in het bestreden besluit vermelde onjuiste adres van de rechtbank.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroepschrift te laat is ingediend, omdat de laatste dag van de beroepstermijn 25 juni 2013 was en het beroepschrift op 9 juni 2015 is ontvangen. De rechtbank heeft vervolgens met verwijzing naar de uitspraak van 7 oktober 1999, ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8551, geoordeeld dat het enkele niet of niet juist vermelden van de mogelijke rechtsmiddelen niet voldoende is voor het verschoonbaar achten van de termijnoverschrijding. Er moeten bijkomstige bijzondere omstandigheden zijn. Daarvan is volgens de rechtbank niet gebleken. Het uitblijven van een reactie op het beroepschrift en de herinneringsbrieven had voor appellante - veel eerder dan pas na twee jaar - aanleiding moeten zijn om contact op te nemen met de rechtbank. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat appellante haar beroepsschrift en de herinneringsbrieven niet retour heeft ontvangen, omdat uit de informatie van het college blijkt dat PostNL niet bestelbare post retour zendt.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep is de vraag aan de orde of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.2.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is een beroepschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4.3.

In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.4.

Buiten geding is dat de wettelijke termijn voor het indienen van een beroepschrift is overschreden. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is gelet op de vermelding van een onjuist adres van de rechtbank in de rechtsmiddelenverwijzing in het bestreden besluit.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 16 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1042) moet een belanghebbende in beginsel kunnen afgaan op de juistheid van de aan hem verstrekte voorlichting. Indien een rechtsmiddelverwijzing is opgenomen, mag daarop, behoudens kennelijke misslagen, uit een oogpunt van rechtszekerheid worden vertrouwd, ook indien de belanghebbende wordt bijgestaan door een beroepsmatige rechtshulpverlener.

4.6.

Deze rechtspraak leidt in geval van appellante niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding in beroep. In de rechtsmiddelverwijzing is vermeld dat beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank binnen de in 4.2 vermelde termijn. Appellante heeft aangevoerd dat haar toenmalige gemachtigde met inachtneming van deze termijn op 18 juni 2013 een beroepschrift heeft verzonden. Volgens appellante is dit beroepschrift en zijn ook de onder 1.4 vermelde herinneringsbrieven verzonden aan het onjuiste rechtbankadres dat in de rechtsmiddelverwijzing is vermeld. In het kader van bewindvoering is appellante bijgestaan door haar huidige gemachtigde, die contact heeft opgenomen met de rechtbank over het bestreden besluit. Vervolgens heeft deze gemachtigde op 9 juni 2015 namens appellante beroep ingesteld tegen dit besluit. Het college heeft, evenals in beroep bij de rechtbank, betoogd dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat op 18 juni 2013 een beroepschrift is ingediend en dat nadien herinneringen zijn verzonden. Dit verweer treft doel. De enkele stelling dat een beroepschrift ter post is bezorgd is onvoldoende om aan te nemen dat dit is verzonden. Hetzelfde geldt voor de herinneringen. In dit verband kan niet worden geoordeeld dat het feit dat appellante voor het eerst op 9 juni 2015 beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit het gevolg is van de omissie in de beroepsclausule.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van de gronden.

5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A. Mansourova

HD