Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
07-07-2016
Zaaknummer
15/3682 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanwijzing herplaatsing kandidaat. Het reorganisatieplan is tot stand gekomen op grond van de start- en beleidsbrief van 1 augustus 2011 en dat dit DRP DHC de grondslag vormt voor het vervallen van de functies van appellanten en de herplaatsingsbesluiten van 2 december 2013. Er is geen sprake van ongelijke behandeling. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat weliswaar de formele opheffing van de functie van P en die van appellanten is voorzien in hetzelfde reorganisatieplan DRP DHC, maar dat in het geval van P een specifieke reden bestond om reeds eind 2011 op die reorganisatie vooruit te lopen met een ontslag wegens overtolligheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3682 AW, 15/3684 AW

Datum uitspraak: 30 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van

10 april 2015, 14/3614 en 14/3616 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.M. van Breet hoger beroepen ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Van Breet heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 19 mei 2016. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Breet. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreid overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2.

Appellant was werkzaam als [functie] bij het [Bureau] van de sectie [sectie] van het [onderdeel] . Appellante was daar werkzaam als financieel analist.

1.3.

Bij besluiten van 2 december 2013 heeft de minister appellanten met ingang van

9 december 2013 aangewezen als herplaatsingskandidaten in de zin van het Sociaal Beleidskader Defensie 2012-2016 (SBK 2012).

1.4.

De bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 2 december 2013 heeft de minister bij afzonderlijke besluiten, verzonden op 29 juli 20l4 (bestreden besluiten), ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar het SBK 2012, waarin is opgenomen in welke gevallen het SBK 2012 van toepassing is en in welke gevallen het daaraan voorafgaande Sociaal Beleidskader Defensie 2004 (SBK 2004), heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het Definitief Reorganisatieplan van het DHC (DRP DHC) van 2 mei 2013, definitief vastgesteld op 8 mei 2013, tot stand is gekomen op grond van de start- en beleidsbrief van

1 augustus 2011. In het DRP DHC is aangegeven dat de functies van appellanten zouden komen te vervallen. Derhalve zijn de functies van appellanten als gevolg van een aan de

start- en beleidsbrief gerelateerde reorganisatie als bedoeld in het SBK 2012 komen te vervallen. Dit betekent dat bij de aanwijzing van appellanten als herplaatsingskandidaten als gevolg van het vervallen van hun functies het SBK 2012 van toepassing is.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.1.

Appellanten hebben in hoger beroep hun standpunt herhaald dat het SBK 2004 op hen van toepassing is. Daartoe hebben zij gewezen op een aantal documenten waaruit zou blijken dat reeds voorafgaand aan de start- en beleidsbrief was beslist over de opheffing van hun functie. Voorts hebben zij gesteld dat sprake is van ongelijke behandeling nu op hun leidinggevende, die eind 2011 vooruitlopend op de reorganisatie is ontslagen, wel het SBK 2004 is toegepast. Bovendien is ook bij andere collega’s om onduidelijke redenen toepassing gegeven aan het SBK 2004, zodat sprake is van schending van het verbod van willekeur.

3.2.

De minister heeft verweer gevoerd en bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het SBK 2012 vermeldt over het overgangsrecht het volgende:

“De (start)brief van 1 augustus 2011 over de start van de reorganisatie Defensie aan de Tweede Kamer wordt aangemerkt als de startdatum voor de uitvoering van de bezuinigingen op basis van de in hoofdstuk 1 van het SBK 2012 genoemde beleidsbrief. Met het feitelijk in gang zetten van de benodigde reorganisaties in het kader van de herinrichting van de

Defensieorganisatie en de uitvoering van de numerus fixus is nog geen aanvang gemaakt. Dit is van belang met het oog op het vaststellen van de datum van inwerkingtreding van dit SBK 2012 en het bepalen van het “omslagmoment” van toepassing van het SBK 2004.

1. Het SBK 2012 is met ingang van 1 januari 2012 van toepassing op:

- de reorganisaties, die zijn gerelateerd aan de beleids- of startbrief;

- de reorganisaties, waarvan het beleidsvoornemen dateert van na 31 december 2011.

2. Het SBK 2004 blijft van toepassing:

- op de reorganisaties, die dateren van voor 1 januari 2012 en die niet zijn gerelateerd aan de beleids- of startbrief;

- in individuele gevallen, waarin sprake is van concrete en aantoonbare toezeggingen of afspraken, daterend van voor 1 januari 2012, over de toepassing van het SBK 2004;

- voor zover een remplaçant de plaats inneemt van een collega die met toepassing van het SBK 2004 is aangemerkt als (interne) herplaatsingskandidaat.”

4.2.

Met de minister en de rechtbank is de Raad van oordeel dat, zoals ook uit de inleiding van het DRP DHC blijkt, dit reorganisatieplan tot stand is gekomen op grond van de start- en beleidsbrief van 1 augustus 2011 en dat dit DRP DHC de grondslag vormt voor het vervallen van de functies van appellanten en de herplaatsingsbesluiten van 2 december 2013. In paragraaf 6.7.2 van het DRP DHC is immers bepaald dat de 4 fte binnen het BBA P&C komen te vervallen.

4.3.

Appellanten hebben gewezen op enkele documenten waaruit volgens hen zou kunnen worden afgeleid dat al voorafgaand aan de start- en beleidsbrief en het DRP DHC was besloten tot opheffing van hun functie, zodat het SBK 2004 op hen van toepassing is gebleven. Aan appellanten kan worden toegegeven dat al uit eerdere documenten is op te maken dat het

uitfaseren van de Lynx-helikopter onvermijdelijk gevolgen zou hebben voor de werkzaamheden van appellanten en de organisatorische inbedding daarvan. Deze documenten zijn echter te weinig specifiek wat betreft de gevolgen voor de functies van appellanten om als basis voor het vervallen van die functies te kunnen worden aangemerkt. De nota van

26 februari 2010 heeft met name betrekking op een continuïteitsknelpunt dat in de loop van 2011 bij de leiding dreigt te ontstaan door het vertrek van het hoofd BBA; van het vervallen van de functies van appellanten is in de notitie nog geen sprake. Uit de in hoger beroep overgelegde memo van 20 april 2010 blijkt weliswaar dat er naar verwachting functies zullen vervallen bij het BBA P&C, maar uit de memo blijkt niet dat de functies van appellanten worden opgeheven. Ook het gegeven dat met beide appellanten tijdens functioneringsgesprekken in november 2011 is besproken dat hun werkzaamheden in 2012 en hun regelnummer eind 2012/medio 2013 zullen komen te vervallen, kan niet als bewijs gelden dat op dat moment reeds sprake was van een reorganisatie waarop het SBK 2004 van toepassing is.

4.4.

Met de rechtbank wordt voorts geoordeeld dat geen sprake is van ongelijke behandeling doordat het hoofd BBA, P, in december 2011 de organisatie heeft verlaten met toepassing van het SBK 2004, terwijl appellanten, omdat nog uitloopwerkzaamheden werden voorzien, pas later als herplaatsingskandidaten zijn aangewezen en daardoor onder de werking van het SBK 2012 vielen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat weliswaar de formele opheffing van de functie van P en die van appellanten is voorzien in hetzelfde reorganisatieplan DRP DHC, maar dat in het geval van P een specifieke reden bestond om reeds eind 2011 op die reorganisatie vooruit te lopen met een ontslag wegens overtolligheid. Dat ontslag was met name gebaseerd op de in 4.3 reeds genoemde nota “Toekomstige bezetting P&C DHC, een poging tot sturing” van 26 februari 2010 en op een desbetreffend rekest van P. De toepasselijkheid van het SBK 2004 vloeit daarmee voort uit het in 4.1 vermelde overgangsrecht. Bij appellanten was in 2011 nog geen grondslag aanwezig om hen eveneens in 2011 te ontslaan, zodat geen sprake was van gelijke gevallen die ten onrechte ongelijk behandeld zijn. Dat appellanten in 2012 vanwege het vertrek van P ook enige overgebleven werkzaamheden van P hebben verricht maakt dit niet anders.

4.5.

Nu appellanten in hoger beroep geen nadere onderbouwing hebben gegeven voor hun stelling dat op willekeurige wijze toepassing is gegeven aan het SBK 2004, moet de Raad aan deze stelling voorbij gaan.

4.6.

Uit wat onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraken komen voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en M.T. Boerlage en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD