Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2525

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
11-07-2016
Zaaknummer
15/1156 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Onduidelijke woonsituatie. e-mails via Gmail account niet gekoppeld IP-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1156 WWB

Datum uitspraak: 28 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 december 2014, 14/5556 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G. Wattilete, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wattilete. Het college heeft zich - met bericht - niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 18 februari 2014 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Hij heeft opgegeven samen met zijn moeder en broer te wonen op het adres [adres 1] (opgegeven adres). Appellant staat sinds

31 januari 2014 op dit adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, thans Basisadministratie personen. Naar aanleiding van deze aanvraag hebben handhavingsspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader hebben zij appellant opgeroepen voor een gesprek op 8 april 2014 en hebben zij diezelfde dag een huisbezoek op het opgegeven adres afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 april 2014.

1.2.

Bij besluit van 14 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 juli 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij woont op het opgegeven adres waardoor het college het recht op bijstand niet kan vaststellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat hij wel woonde op het opgegeven adres.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 18 februari 2014 tot en met 14 april 2014.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. De aanvrager is onder meer verplicht juiste en volledige informatie te verstrekken over zijn woon- en leefsituatie omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingenverplichting voldoet is dit een grond voor weigering indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Appellant heeft tijdens het onder 1.1 genoemde huisbezoek verklaard dat hij sinds begin oktober 2013 (weer) op het opgegeven adres woont en dat al zijn spullen zich op het opgegeven adres bevinden. Daarvoor woonde hij een tijdje bij zijn vader op het adres [adres 2] . Appellant is daar vertrokken toen zijn vader werd opgenomen in een verzorgingstehuis. Appellant heeft zijn verklaring ondertekend waarbij hij tevens heeft aangegeven dat de inhoud van de opgeschreven verklaring overeenkomt met wat hij mondeling heeft verklaard.

4.4.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonde op het opgegeven adres. De onduidelijkheden hierover die zijn ontstaan door de tijdens het huisbezoek aangetroffen woonsituatie heeft appellant niet weggenomen. De daarbij aangetroffen woonsituatie bleek op essentiƫle punten niet in overeenstemming met wat appellant daarover tijdens het huisbezoek verklaarde. Daarbij komt met name betekenis toe aan de wisselende verklaringen van appellant over in welke kamers zijn moeder en broer in de woning zouden slapen en over zijn in de woning aanwezige kleding. Tijdens het huisbezoek heeft appellant, behoudens ondergoed en sokken, niet kunnen aantonen dat kleding van hem in de woning aanwezig was en werd alleen oude administratie aangetroffen. Appellant heeft slechts twee recente poststukken kunnen tonen, die dateren van januari 2014 en februari 2014. De afwezigheid van zijn kleding en administratie strookt niet met zijn onder 4.3 gegeven verklaring dat al zijn persoonlijke spullen sinds oktober 2013 op het opgegeven adres liggen.

4.5.

Wat onder 4.4 is overwogen wordt niet anders door de stelling van appellant dat hij met zijn e-mailgedrag heeft aangetoond dat hij gedurende de te beoordelen periode zijn feitelijke hoofdverblijf op het opgegeven adres had. Hij heeft daartoe e-mails overgelegd, die hij ontvangen en gestuurd heeft door middel van een Gmail-account. Niet in geschil is dat het opgegeven adres gekoppeld is aan het IP-adres van appellant. Evenmin is in geschil dat appellant in beginsel zijn e-mails kan ophalen en verzenden via zijn Gmail-account vanaf iedere locatie waar zich een computer bevindt en waar een internetverbinding is. De overgelegde e-mails bevatten geen gegevens met betrekking tot verzending en ontvangst in relatie tot een IP-adres. Appellant heeft daarom met de overgelegde e-mails niet aannemelijk gemaakt dat deze daadwerkelijk zijn ontvangen op en verzonden vanuit het opgegeven adres.

4.6.

Appellant heeft nog een beroep gedaan op de omstandigheid dat het college hem in december 2014 alsnog bijstand heeft toegekend met ingang van 5 oktober 2014 en bij besluit van 7 april 2015 deze ingangsdatum heeft vastgesteld op 12 augustus 2014. Anders dan appellant heeft betoogd betekent dit echter niet dat het recht op bijstand ook in de te beoordelen periode kan worden vastgesteld.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A. Mansourova

HD