Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2524

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
07-07-2016
Zaaknummer
15/84 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk ontslag. Plichtsverzuim. Appellant heeft betrokkene terecht verweten dat hij bij herhaling niet in staat is gebleken zijn functie op een betrouwbare wijze uit te voeren. Hij heeft daarmee gehandeld in strijd met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid, waardoor hij het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate heeft geschonden en het aanzien van de gemeente schade heeft toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/84 AW, 15/157 AW, 15/3758 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van

18 november 2014, 14/3506 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.G. Kerkhof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. K.F.A.M. Weijling, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Namens appellant is een zienswijze op het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 22 januari 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen. Tegen dit besluit zijn namens betrokkene gronden aangevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kerkhof, M. Dupuis en B. Verhagen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Weijling.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was sinds 1996 werkzaam bij de gemeente [gemeente] , laatstelijk als [functie] .

1.2.

Bij besluit van 27 februari 2013 is betrokkene gewaarschuwd vanwege het in circa drie gevallen vervalsen van de handtekening van een externe taxateur onder taxatierapporten.

1.3.

Voor een inspectie door de Waarderingskamer op 31 mei 2013 heeft betrokkene opgave gedaan van het aantal ‘niet beschikte objecten’ over de jaren 2013, 2012 en 2011 (waardepeildatum 2012, 2011 en 2010). Naar aanleiding van deze opgave heeft de Waarderingskamer op 14 juni 2013 een rapport van bevindingen opgesteld. De Waarderingskamer heeft geconcludeerd dat de processen aanzienlijk zijn verbeterd; de gemeente is daarom twee schalen hoger ingeschaald.

1.4.

Medio 2013 heeft een extern bureau bij de Waarderingskamer geklaagd dat de gegevens van de Waarderingskamer niet juist kunnen zijn.

1.5.

Naar aanleiding van deze klacht heeft de Waarderingskamer een herinspectie aangekondigd. Op 27 augustus 2013 is door leidinggevende V en door H met betrokkene gesproken over de hercontrole en is hij geconfronteerd met zijn onjuiste opgave.

1.6.

De herinspectie door de Waarderingskamer heeft op 3 september 2013 plaatsgevonden.

1.7.

Op 3 september 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen betrokkene en V, D, en L over het verstrekken van onjuiste informatie en het vervalsen van handtekeningen. Appellant heeft in deze incidenten aanleiding gezien om een onderzoek te laten verrichten door PinkRoccade. Dit onderzoek heeft geresulteerd in een tabel met vermelding van objecten zonder waardebeschikking per 13 september 2013. Op 19 september 2013 zijn de resultaten van dit onderzoek aan betrokkene teruggekoppeld.

1.8.

Bij besluit verzonden op 5 november 2013 is betrokkene, nadat hem daartoe een voornemen bekend is gemaakt en hij daarop zijn zienswijze heeft gegeven, strafontslag verleend op grond van artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Appellant heeft daaraan ten grondslag gelegd dat betrokkene willens en wetens op 31 mei 2013 onjuiste gegevens heeft verstrekt aan de Waarderingskamer, geen afstemming heeft gezocht met zijn leidinggevende noch heeft aangegeven niet in staat te zijn om correcte gegevens aan te leveren. Ten slotte wordt betrokkene verweten dat hij, nadat hij wist dat de gegevens onjuist waren, geen openheid van zaken heeft gegeven.

1.9.

Na gemaakt bezwaar heeft appellant het besluit verzonden op 5 november 2013 gehandhaafd bij besluit van 29 april 2014 (bestreden besluit). Daaraan zijn ten grondslag gelegd de afrondende conclusies van L, waarvan deel uitmaken de op basis van nader onderzoek opgestelde rapportages door extern deskundigen PinkRoccade en [deskundige 1] en het door extern deskundige [deskundige 2] verrichte dossieronderzoek. Appellant heeft op basis van deze rapportages geconcludeerd dat het aantal nog te beschikken objecten een veelvoud is van de door betrokkene gedane opgave op 31 mei 2013, dat betrokkene voor 12 juni 2013 wist dat de door hem aangeleverde gegevens van 31 mei 2013 niet juist waren en dat hij dit pas op

27 augustus 2013 tijdens een gesprek met zijn leidinggevende kenbaar heeft gemaakt. Daarvoor was een signaal van een externe partij noodzakelijk.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat betrokkene een verkeerde opgave heeft gedaan aan de Waarderingskamer en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet komen vast te staan dat betrokkene bewust onjuiste gegevens heeft verstrekt. Het gegeven dat betrokkene te laat afstemming heeft gezocht met zijn leidinggevende en openheid van zaken heeft gegeven is naar het oordeel van de rechtbank niet dusdanig ernstig dat een onvoorwaardelijk strafontslag is gerechtvaardigd. De rechtbank heeft daarbij betrokken het lange dienstverband van betrokkene en zijn goede beoordelingen. De rechtbank acht voorwaardelijk stafontslag wel evenredig aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

3.1.

Partijen hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat betrokkene bewust onjuiste gegevens heeft verstrekt aan de Waarderingskamer. Betrokkene heeft betoogd dat hij geen onjuiste gegevens heeft verstrekt en zich niet schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

3.2.

Betrokkene heeft tegen het nader besluit aangevoerd dat de opgelegde disciplinaire straf van overplaatsing naar de functie van inspecteur bij het team Leefbaarheid, Toezicht en Handhaving met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris disproportioneel is ten opzichte van het vermeende plichtsverzuim.

3.3.

De Raad zal het nader besluit gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrekken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Betrokkene heeft op 31 mei 2013 opgave gedaan aan de Waarderingskamer van het aantal niet beschikte objecten. Voor deze opgave heeft betrokkene de uitdraai gebruikt van maart 2013. Betrokkene had tevens de beschikking over de lijst van 29 mei 2013.

4.2.

Uit de rapportages van PinkRoccade en [deskundige 1] blijkt dat de opgave van betrokkene aan de Waarderingskamer op 31 mei 2013 niet juist kon zijn. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van deze externe deskundigen. Zowel PinkRoccade als [deskundige 1] komen onafhankelijk van elkaar met gebruikmaking van de uitdraai van 29 mei 2013 tot andere, veel hogere aantallen dan betrokkene. Het door betrokkene verstrekte overzicht ter onderbouwing van zijn betoog dat zijn opgave aan de Waarderingskamer op 31 mei 2013 nagenoeg juist was, geeft onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de door PinkRoccade en [deskundige 1] opgestelde rapportages. Evenmin heeft betrokkene aannemelijk gemaakt dat het geconstateerde verschil in aantallen het gevolg is van een verwarring over de interpretatie van het begrip ‘niet beschikte objecten’.

4.3.

Appellant voert aan dat betrokkene op 29 mei 2013 een uitdraai heeft gemaakt van ‘niet beschikte objecten’, maar bewust in afwijking daarvan een onjuiste opgave heeft gedaan aan de Waarderingskamer en daarmee een rooskleuriger beeld heeft geschetst dan in werkelijkheid het geval was.

4.4.

Niet in geschil is dat betrokkene op 29 mei 2013 een uitdraai van het bestand heeft gemaakt. Vast staat voorts dat hij van deze uitdraai geen gebruik heeft gemaakt voor zijn opgave aan de Waarderingskamer op 31 mei 2013. Betrokkene heeft de Waarderingskamer of zijn leidinggevende voorafgaand aan, ten tijde van of vlak na het inspectiebezoek niet in kennis gesteld van deze uitdraai. Evenmin heeft betrokkene kenbaar gemaakt dat zijn opgave (slechts) een schatting betrof, naar eigen zeggen, gebaseerd op een op grond van zijn ervaring gegeven interpretatie van de cijfers uit maart 2013. Betrokkene was in elk geval voor 12 juni 2013 bekend met de onjuistheid van zijn opgave. Eerst na een klacht van een externe partij en de aankondiging van de Waarderingskamer dat een herinspectie zou plaatsvinden op

3 september 2013, heeft betrokkene in een gesprek met V en H op 27 augustus 2013, na aandringen van V, te kennen gegeven de cijfers te rooskleurig te hebben voorgesteld. Betrokkene heeft in dat gesprek verklaard dat geen sprake was van 70 maar van 337 niet beschikte objecten. Uit de onderzoeksrapporten van PinkRoccade en [deskundige 1] volgt evenwel dat op 31 mei 2013 sprake was van circa 690 niet beschikte objecten. Gelet op deze gang van zaken heeft appellant betrokkene terecht verweten dat hij bewust op 31 mei 2013 een onjuiste opgave heeft gedaan van ‘niet beschikte objecten’ over de jaren 2013, 2012 en 2011 aan de Waarderingskamer en dat hij te lang heeft gewacht met het geven van openheid van zaken. De stelling van betrokkene dat hij niet zijn leidinggevende V, maar wel H had geïnformeerd, en appellant dus wel tijdig openheid van zaken heeft gegeven, is niet nader onderbouwd en acht de Raad, mede in het licht van het gespreksverslag van 27 augustus 2013 en de door betrokkene nadien verrichte werkzaamheden om, in opdracht van zijn leidinggevende, tot herstel te komen, niet aannemelijk. In de niet eenduidige verklaringen van betrokkene - zo heeft hij enerzijds verklaard de uitdraai van 29 mei 2013 niet te hebben geanalyseerd vanwege een adv-dag op 30 mei 2013, doch heeft hij anderzijds verklaard de uitdraai te hebben bekeken, maar daarin geen aanleiding te hebben gezien om zijn schatting aan te passen - heeft de Raad evenmin aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen.

4.5.

Appellant heeft de handelwijze van betrokkene terecht gekwalificeerd als plichtsverzuim. Betrokkene had reeds in februari 2013 een waarschuwing gekregen vanwege niet integer handelen. Desondanks heeft betrokkene, ondanks zijn jarenlange ervaring en deskundigheid op het terrein van de WOZ, geen blijk gegeven van het besef dat de gemeente juiste cijfers dient te verstrekken aan de Waarderingskamer, welke cijfers ook van belang zijn voor andere externe partijen zoals de Belastingdienst. Appellant heeft betrokkene terecht verweten dat hij bij herhaling niet in staat is gebleken zijn functie op een betrouwbare wijze uit te voeren. Hij heeft daarmee gehandeld in strijd met de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid, waardoor hij het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate heeft geschonden en het aanzien van de gemeente schade heeft toegebracht. In de gegeven omstandigheden is de aan betrokkene opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan het plichtsverzuim.

4.6.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat het hoger beroep van betrokkene niet kan slagen.

4.7.

Gezien het slagen van het hoger beroep van appellant zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen en, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

4.8.

Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak is de grondslag aan het nader besluit komen te ontvallen, zodat de Raad dit besluit zal vernietigen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 april 2014 ongegrond;

- vernietigt het besluit van 22 januari 2015.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en M.T. Boerlage en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD